Duizend eilanden ver
Tais Teng
Duizend eilanden ver Copyright 2012 Tais Teng
Omslagillustratie
Copyright 2012 Tais Teng
Samenstelling en redactie: Roelof
Goudriaan
eBook opmaak: Mike Jansen
ISBN: 978-1-4659-2046-1
Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl
Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.
No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
***
Smashwords Edition, License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.
Duizend eilanden ver, waar de schepen van goud zijn
Ken jij misschien een zekere Stella?
Ik wil geen woord over die vrouw horen
De trap van de tienduizend doorns
Heb je misschien een vouwblaadje?
SPIJBELENDE SCHOLIEREN BESTAAN NIET
Van onze verslaggever
UTRECHT ‘Het begon met een telefoontje van de Joris Habermanschool,’ vertelt Richard G. aan onze reporter. ‘Of mijn zoontje Neil soms een griepje had? Hij was namelijk al voor de tweede dag niet op komen dagen.’ Afgelopen woensdag werd G. verrast door dit vreemde bericht. ‘Ik ben vrijgezel en heb zover ik weet geen kinderen,’ verklaart hij. Hoewel de school zijn excuses maakte en constateerde dat het om een computerfout ging, bleef het niet bij dit ene voorval. Dezelfde dag nog werd G. gebeld door het Westerdijklyceum, met de mededeling dat zijn dochter al twee keer gespijbeld had. Gistermiddag berichtte de bibliotheek dat zijn zoontje de geleende video’s nog niet terug had gebracht.
Richard G. vermoedt dat deze ‘spookkinderen’ het werk van een hacker zijn. ‘Dit is geen geintje meer,’ zo stelt hij. ‘Als dit zo doorgaat, overweeg ik de politie in te lichten!’
Duizend eilanden ver, waar de schepen van goud zijn
‘Hè nee, niet weer!’ Op het computerscherm slaat Neils racewagen drie keer over de kop, ramt een lantaarnpaal en plonst ondersteboven in het zwembad van de miljonair. GAME OVER, melden knipperende letters.
Ja, dat kun je wel zeggen, denkt Neil. Jullie je zin: dan word ik later toch gewoon geen autodief?
In de gang kleppert de brievenbus: enveloppen ploffen op het deurmatje. Vrijwel meteen gaat de bel. De ongeduldige, extra lange rinkel van iemand die vandaag nog meer te bezorgen heeft.
‘De postbode, mamma!’ roept hij. ‘Met een pakketje denk ik.’
‘Neem jij het even aan?’ Stella’s stem komt uit de bijkeuken. ‘Ik sta met een gloeiende soldeerbout in mijn hand en twee ellendige rotdraadjes die niet aan elkaar vast willen.’
‘Oké.’ Neils moeder is beslist de handigste in huis. Helaas haat ze klusjes. Knellende deuren worden kaarsrecht afgehangen, rokende mixers open geschroefd, maar altijd onder binnensmonds gemopper en wanhopig gesis.
‘Past niet door de brievenbus, jongeman.’ De postbode houdt een pakketje op. INTERNET DIGIPRINT, meldt de knaloranje sticker. WEL ZO SNEL EN VEEL GOEDKOPER.
‘Jullie foto’s vermoed ik. Kun je even een krabbel op dit formulier zetten?’
Op de keukentafel scheurt Neil de dikke envelop open en schudt twee stapeltjes foto’s uit het bobbeltjesplastic. Handig, zo’n digitale camera. Je schiet rustig honderd foto’s zonder een filmpje te hoeven wisselen. Wat je niet bevalt, wis je meteen weer uit.
Ha, daar is onze tent en Dagmar halverwege de trap van de oude uitkijktoren. De uitkijktoren waaruit weinig te kijken viel, omdat de bomen intussen boven de toren uit groeiden.
Ja hoor, in het pannenkoekenrestaurant moet Dagmar weer zo nodig een raar gezicht trekken.
Zusjes! Ik verzamel al haar uitgestoken tongen nog eens en zet ze op de site van Dagmars school.
‘Het is van het kamperen, Stella,’ zegt hij over zijn schouder. ‘Zo te zien zijn al je foto’s scherp.’
‘Dat was vlot,’ antwoordt zijn moeder. ‘Ik heb ze gisteren pas gemailed. Hou ze op volgorde wil je? Ik kom zo kijken.’ Het tweede stapeltje foto’s legt elke bocht en steiger van hun boottochtje door Amersfoort vast. Een beetje een tegenvaller herinnert Neil zich: Amersfoort had beslist minder grachten dan Utrecht en ze waren ook saaier. Nergens spannende werfkelders met totempalen of geinige terrasjes vol vioolspelende Russen.
De laatste foto toont een immense watervlakte onder een hemel vol schaapjeswolken. Een steiger zigzagt als een hoekige slang tussen honderden zeilbootjes. Hun koperen rompen glanzen in de zon en elke mast draagt zijn eigen windhaan of vliegende draak.
Hij kan de namen van de voorste schepen nog net ontcijferen: Martha’s Verdriet en Gerbensterp 23.
Neil buigt zich over de foto en wenst dat hij een vergrootglas had. Foto’s zijn altijd zoveel kleiner dan de werkelijkheid.
Waar was dit in hemelsnaam? Wanneer?
Ik kan me niets van een meer herinneren.
Langs de horizon ontdekt hij de blauwgrijze silhouetten van eilandjes. De kerktoren op het middelste eiland heeft geen spits, maar loopt in een soort stenen distelbol uit. De boogbruggen tussen de eilanden zijn zo mogelijk nog vreemder en absoluut niet Nederlands. Min of meer het model van een stenen bruggetje in een Japanse tuin, maar dan onzinnig uitvergroot. Ze zwiepen zo hoog de lucht in dat zelfs een olietanker moeiteloos onder de bruggen door kan varen.
Was ik soms in slaap gevallen? Weggedoezeld omdat het zo zoemerig warm was en zeventiende-eeuwse kloosters me niet bijster interesseerden?
Hij probeert zich de kaart van Nederland voor de geest te halen. Al dat water: Amersfoort ligt toch in het binnenland, niet aan de randmeren? De randmeren zijn trouwens zo nauw dat je de overkant steeds blijft zien. Dit meer is wijd genoeg voor een zee.
Toch móét Stella de foto in Amersfoort genomen hebben. Pappa en Dagmar zitten op het voorste bankje van de rondvaartboot, hoewel ze vrij onscherp blijven. Bovendien draagt Dagmar het blauwe T-shirt met WATERLIJN. Dat shirt had ze in het winkeltje bij de aanlegplaats gekocht en sindsdien nooit meer aangetrokken.
‘Wat heb je daar?’
Hij heeft zijn moeder niet binnen horen komen.
Hij reikt haar de foto aan. ‘Weet jij soms waar dit was? Ik kan me niks van een haven herinneren.’
Zijn moeder verstijft. ‘Waar heb je die foto vandaan? Toch niet uit mijn spullen?’
Haar spullen? Wat denkt ze wel?
‘Het zat bij de andere foto’s!’
‘Stelletje stommelingen,’ zegt ze. ‘Dat krijg je ervan als je computers je foto’s laat afdrukken:
‘Wat bedoel je?’
‘Dit. Dit ding hier!’ Ze wappert met de foto. ‘Ze hebben natuurlijk twee filmpjes verwisseld. Deze foto is van iemand anders.’
Ze beent naar de afvalbak en scheurt de foto in tweeën. ‘Zo doen we dat met knoeiwerk!’ Stella blijft fanatiek doorscheuren tot de snippers niet groter dan confetti zijn en tussen haar vingers in de bak dwarrelen. ‘Mooi de laatste keer dat ik die lui mijn foto’s laat afdrukken!’
Dit slaat werkelijk nergens op, denkt Neil. Zo nijdig over één verwisselde foto?
En dan dringt de klank van haar stem pas tot hem door. Niet boos, maar angstig. Doodsbang.
Stella herkende die zee. Ze weet waar hij ligt.
Bovendien zei ze: ‘Je hebt het toch niet uit mijn spullen?’ Hij durft haar niet aan te kijken.
De klep van de afvalbak slaat dicht.
‘Ik ga naar de Super. Boodschappen doen, ja. Ik zie straks de rest van de foto’s wel. Of waren er meer... eh, verkeerde foto’s?’
‘Nee, dit was de enige.
Stella aarzelt, tuurt in de bak en slaakt een diepe zucht. ‘Weer bomvol. Hoe vaak moet ik jullie..,’ Ze maakt haar zin niet af en tilt de bak op. ‘Laat maar. Ik mik hem zelf wel leeg in de kliko.’
Ze speelt toneel, denkt Neil. Geen kleuter zou in zo’n overdreven zucht trappen. En gezeur over overvolle afvalbakken is al helemaal niets voor Stella.
Je stopt borden pas in de vaatwasmachine als je geen enkel schoon bord overhebt, is haar stellige mening. Waarschijnlijk weet ze niet eens waar de stofzuiger staat.
Neil snelt naar het keukenraam en gluurt door de luxaflex de achtertuin in. De afvalbak staat open naast de kliko en Stella graait in de inhoud rond.
Heeft ze er iets in laten vallen? Een oorbel?
De snippers, realiseert Neil zich. Ze wil voorkomen dat ik ooit nog naar die foto kijk. Dat ik de snippers aan elkaar plak.
Zijn moeder beent terug naar het afdakje, rukt haar fiets uit de klemmen. De tuindeur knalt zo hard achter haar dicht dat Neil de klap door het dubbele glas kan horen. Ze gaat helemaal niet naar de supermarkt, wedden? Ze dumpt de snippers onderweg. In de gracht, een container.
Neil sluit zijn ogen en probeert zich de wonderbaarlijke haven voor de geest te halen. Bruggen zo hoog als achtbanen. Schepen met rompen van geel glanzend koper. Hoewel, koper? Koper roest toch razendsnel?
Zijn vader vertelde hem dat toen hij vroeg waarom in Amsterdam zoveel torens groen waren.
‘De huizen werden voor schatrijke kooplieden gebouwd, weet je, van die echte opscheppers,’ had Richard uitgelegd. ‘De trotse bezitter begon met een dak zo geel als goud. Een halfjaar later was het kikkergroen geroest en lachten alle buren hem uit.’
‘Kon hij daar helemaal niks aan doen? Aan dat roesten?’ Een huis met gouden torens leek Neil aardig cool.
‘Ja hoor, dakpannen van echt goud gebruiken.’
De boten op de foto roestten niet, hoewel ze in zeewater dobberden dat koper opvrat als een school piranha’s een geplukte kalkoen. Als de rompen geel glanzen en niet roesten, moeten ze dus van puur goud zijn.
Schepen van goud...
Een herinnering komt op, zo goed als weggezakt.
Hoe oud was ik? Vier, vijf? Zoiets ja, op mijn zesde vertelde Stella mij beslist geen sprookjes meer voor ze me instopte. ‘Duizend eilanden ver, waar alle schepen van goud zijn,’ zo begon Stella elk sprookje.
Behalve dat die sprookjes blijkbaar geen sprookjes waren. De verscheurde foto bewijst het.
Wacht eens, wacht eens: het ging om een digitale foto! De afdruk mag versnipperd zijn en intussen aan de eenden gevoerd: de foto zelf moet nog veilig in de SD-kaart van Stella’s camera zitten.
De deur van Stella’s werkkamer staat op een kier. Neil kijkt onwillekeurig over zijn schouder en spitst zijn oren: het huis blijft doodstil.
Het is plotseling een afwachtende stilte, dreigend. Normaal zou hij geen moment aarzelen als hij de nietmachine of een velletje schrijfpapier uit haar kamer nodig had. Stella’s leugens hebben alles veranderd.
Ze heeft geheimen. Ik kan haar nooit meer vertrouwen. Als hij naar de koperen deurknop reikt, valt hem voor het eerst op hoe helder het metaal glanst. Het fonkelt alsof het zorgvuldig opgewreven is. Vreemd, Stella zou liever een rauwe meikever doorslikken dan haar deurknop poetsen. Is Stella’s deurknop ook van goud? Net als de schepen? Onzin: als pappa en mamma zich gouden deurknoppen konden veroorloven, reden we in een Mercedes rond, niet in een zes jaar oude Panda.
Na een korte aarzeling duwt hij de deur open met de punt van zijn schoen. De knop aanraken voelt op de een of andere manier verkeerd.
Geen vingerafdrukken achterlaten. Getver, ik denk al als een inbreker.
De vertrouwde geur van gelakt zeewier en gedroogde zeeegels walmt hem tegemoet. Boven Stella’s leren bank hangt het olieverfschilderij van een strand met dofzwart vulkaangruis. Rotspieken priemen uit de loodgrijze stormzee. Zelf geschilderd: Neils moeder is de creatieveling van de familie.
Op de vensterbank prijkt een vloot van modelbootjes, die Stella uit gedroogd wier gevouwen heeft.
Heel de kamer staat in het teken van de zee: Neil weet dat zijn moeder pas gelukkig is als ze met haar billen in het zand schurkt en over een deinende horizon vol eilanden uitkijkt.
‘Misschien ben ik eigenlijk een aangespoelde zeemeermin,’ had zijn moeder een keer gegrapt, ‘en hoor ik in een badkuip met zeewater te slapen.’
Stella’s digitale camera staat in het zicht, op een plank van grijs drijfhout. Neil schakelt hem in en roept de laatste foto op.
Het uitklapschermpje van de camera toont Dagmar en Neils vader, de rondvaartboot. Op de achtergrond is een rij middeleeuwse huizen zichtbaar. Van gouden schepen of eilanden geen spoor.
Hallo?’ roept Dagmar beneden aan de trap. ‘Hallo? Is er iemand thuis of hoe zit dat?’
Haar middelbare school ligt in een buitenwijk: ze komt gewoonlijk een halfuur later thuis dan Neil.
‘Ik ben boven.’
Neil trekt de deur achter zich dicht, rent halverwege de gang terug en zet hem zorgvuldig op een kier.
Nu ben ik even erg als Stella, gaat het door hem heen. Spioneren in haar kamer, al mijn sporen uitwissen.
‘Is mamma niet thuis?’ vraagt Dagmar.
‘Boodschappen doen geloof ik.’ Hij likt over zijn lippen. ‘Zeg, waar Stella vandaan vluchtte, toen ze asielzoekster was? Welk land was dat ook alweer?’ Hij probeert het zo achteloos mogelijk te brengen.
Dagmar haalt een hand met aan elke vinger drie ringen door haar krullen. ‘Ze wil er nooit echt over praten. Een van die rare Russische landen. Ergens tegen China aan. Kazachstan, Kirgizstan? De laatste keer dat ik het vroeg, wapperde ze vaag naar de aardbol en begon ze over mijn verkeerde vriendjes.’ Ze mikt haar windjack over de berg jassen aan de kapstok. ‘Hoezo?’
Zeg het!
‘Mamma verscheurde een foto.’ Neil dwingt zichzelf door te spreken. ‘Een onmogelijke foto.’
‘Van haar land?’ vraagt Dagmar en hij voelt een grote last van zich afvallen.
Dagmar zal naar me luisteren, mij geloven. Ik ben Stella niet, ik hóéf het niet geheim te houden.
Dagmar tuurt op het schermpje van Stella’s toestel en schudt haar hoofd. ‘Dit ziet er volkomen normaal uit. Ik kan me niets van een haven herinneren.’
‘Het is waar! Heus!’
‘O, ik geloof je best.’ Ze wrijft over haar kin. ‘Al die rare sprookjes van Stella. De molenaarszoon die met een zeekoe trouwde. De pastoor en de negen makrelen. Altijd de zee en eilanden. Ik heb het een keer in de atlas nagezocht: in Kazachstan is geen druppel zout water te vinden en zijn er al helemaal geen eilanden.’
‘Ze lieten haar zonder veel problemen het land in toen ze hierheen vluchtte,’ zegt Neil. ‘Blij dat ze tenminste Nederlands sprak.
Stella-Nederlands dan,’ zegt Neil en glimlacht. ‘Dat is Stella-Nederlands!’ joelt iedereen als zijn moeder weer eens een uitdrukking gebruikt, die wel Nederlands klinkt maar het beslist niet is. ‘Een potje rabauwen’ voor knokken bijvoorbeeld. Of ‘Daar kunnen ziltkikkers geen bellen van blazen’ als Neil en Dagmar een karweitje maar half afgemaakt hebben. Je snapt het best, ook al is het kletskoek.
‘Haar overgrootouders emigreerden naar Kazachstan,’ zegt Neil. ‘Uit Nederland. Daarom klinkt Stella’s Nederlands soms zo ouderwets.’
Hoewel, heeft ze hem dat ooit werkelijk verteld of heeft hij dat zelf bedacht?
Waarom moest hij het eigenlijk met maar één opa en oma doen? had hij op zijn zesde verjaardag willen weten. Stella had toch ook een vader en moeder, net als pappa? Meer grootouders zouden ook meer cadeautjes betekenen had hij heel slim bedacht.
‘Kunnen we niet eens naar jouw land op vakantie gaan? Om jouw familie op te zoeken?’
‘Ik heb geen familie meer,’ had Stella kortaf geantwoord. Ze heeft vreselijke ruzie met ze gemaakt en is weggelopen, had Neil ten slotte geconcludeerd. De vader van zijn beste vriend Ernst had ook ruzie gemaakt en was in een andere stad gaan wonen. Hij wilde ook niet meer met Ernsts moeder praten.
'Stella vertelt nooit over haar familie,’ zegt Neil. ‘We weten niet eens of ze broers of zussen heeft.’
‘Ik denk dat ze allemaal dood zijn,’ zegt Dagmar.
‘Hoe bedoel je?’
‘Vermoord. Mamma was een vluchteling, weet je misschien nog? In dat soort landen is het niet bepaald leuk als je de verkeerde taal spreekt of er anders uit ziet.’ Ze knikt. ‘De politie laat je alleen Nederland in als het heel serieus is.’
‘Shit.’ Het zou zoveel verklaren. Natuurlijk wil Stella geen grappige verhalen over vroeger vertellen, over school of toen ze een klein meisje was. Moeders barsten niet graag in huilen uit voor de ogen van hun kinderen.
‘Maar Stella’s foto? Waarom is hij anders dan de afdruk?’
Dagmar vouwt haar armen over elkaar en wendt haar hoofd af. ‘Magie,’ zegt ze, zo zacht dat Neil haar amper kan verstaan. ‘Ik denk dat mamma een heks is. Misschien, misschien moest ze daarom ook vluchten?’
‘Heks? Je bent gek, knettergek!’ Niemand noemt zijn moeder een heks! Zelfs zijn zus niet.
‘Geen slechte heks. Niet een die kinderen opeet.’
‘Je denkt zeker dat ik stom ben? Een heks...’
‘Luister naar me!’
Neil deinst terug voor de woede in Dagmars stem.
Ze moet me iets vertellen en is doodsbang dat ik haar niet geloof.
Dagmar ploft op de bank neer en mept met haar vlakke hand op het glimmende leer. ‘Kom naast me zitten. Waag het niet te lachen!’
‘Waarom denk je dat Stella een heks is?’ Nu hij het woord zelf gebruikt, klinkt het onzinniger dan ooit.
‘Je heb haar toch papier zien vouwen? Van die origami-beesten?’
Neil knikt. Natuurlijk. Geen papiertje is veilig voor Stella: drie, vier vouwen, een ruk en de reclamefolder van de Schoenenreus is een springende zalm geworden, de rekening van het restaurant een zeemeeuw.
Eén keer heeft hij haar zelfs een olifant zien vouwen van een vijftig-eurobiljet terwijl ze bij de kassa stond te wachten. Stella was al aan de slagtanden toe voor ze het doorkreeg en het biljet haastig gladstreek.
'Stella stond te telefoneren,’ zegt Dagmar. 'Je weet hoe het gaat. Ze scheurde gedachteloos een pagina uit het telefoonboek en vouwde er automatisch een haai van, daarna door tot een kraanvogel, een brullende draak. Ze bleef vouwen en vouwen terwijl ze met Evelien kletste en bij elke keer werd het dier ingewikkelder en kleiner. Ten slotte was het papier amper zo groot als haar duimnagel. Ik denk dat het een spin moest voorstellen. Stella rolde het beestje tussen haar duim en wijsvinger en het verdween.’ Dagmar kijkt hem aan. ‘Weg. Echt totaal weg. Een hele bladzijde.’ Het is geen raar verhaaltje, geen leugen. Dagmars stem klonk te wanhopig. Een geheim. Weer een geheim en Dagmar durfde het aan niemand te vertellen.
‘Ik zat toen nog een klas lager dan jij en het leek me eerst een mooie truc,’ zegt Dagmar. ‘Gewoon iets grappigs. Ik scheurde een velletje uit het telefoonboek. Als mamma het mocht, mocht ik het ook. Tot de draak ging het nog redelijk. Hoewel mijn draak een stuk groter was dan die van Stella. Daarna was het papier domweg te dik om te vouwen. Zodra het kleiner werd dan een lucifersdoosje kon ik het papier zelfs met de waterpomptang niet meer dubbelvouwen. Wat Stella deed, is onmogelijk. Je kunt niets zo klein opvouwen dat het verdwijnt.’
‘Ik..?' Nee, dat was een droom, een nachtmerrie. Het heeft geen zin om Dagmar mijn nachtmerries te vertellen. Ook al gaan ze over Stella’s vouwen. Ze zou denken dat ik tegen haar op wil bieden, zelf een nog beter verhaal wil vertellen. ‘Kun je het haar niet gewoon vragen? Je zegt dat je haar het papier weg zag vouwen en wil weten hoe ze dat deed.’
Dagmar schudt haar hoofd zo heftig dat haar krullen dansen. ‘Nee! Dat is hetzelfde als vragen of ze een heks is.’ Ze leunt naar voren. ‘Heeft Stella je ooit het sprookje over de Vrouw van de Veerman verteld?’
‘Vaak. Bijna elke week.’
Hoe heeft hij het kunnen vergeten? Elk woord komt terug. Haar lichtelijk hese stem, de geur van Stella’s haar.
‘Duizend eilanden ver,’ zo begon ze natuurlijk, ‘waar alle schepen van goud zijn, leefde een veerman die een bruid zocht.’
Ja, en toen de vrouw met de veerman trouwde, waarschuwde ze hem dat hij nooit haar ware naam mocht uitspreken.
‘Da’s makkelijk zat,’ zei de veerman, ‘voor mij is “lieve schat” of “heerlijke honnepon” naam genoeg.’ Toch werd de veerman elk jaar nieuwsgieriger. Het was toch waanzin dat hij de naam van de moeder van zijn twee kinderen niet eens wist?
Hij vroeg het de zeemeeuwen, hij vroeg het de kapiteins van de glazen zandschepen die alle roddels van de dolfijnen horen en de bliksems in de orkaanhemel kunnen lezen. Ten slotte verkocht een waarzegster hem een roze kinkhoorn.
‘Hierin fluistert de zee de antwoorden op alle verboden vragen.’
De veerman drukte de schelp tegen zijn oor en leerde dat zijn vrouw Asmonya heette en de oudste dochter van de zeekoning was.
Het deed hem groot plezier en hij hield nog meer van zijn vrouw dan ooit. ‘Asmonya,’ fluisterde hij glimlachend als hij naar het slapende gezicht van zijn vrouw keek. ‘Asmonya, mijn zeeprinses.’
Een jaar later stond hij naast zijn vrouw aan de reling van zijn veerboot. De plotselinge windvlaag smeet de boot bijna omver en de giek, de solide balk onderaan het zeil, zwiepte in de richting van zijn vrouw.
‘Asmonya!’ brulde hij, ‘Kijk uit!’
En de balk miste haar hoofd. Omdat ze in een dolfijn was veranderd, die over de reling gleed en in de grijze golven wegdook...
Voor het eerst begrijpt hij het verhaal. Een waarschuwing. Vraag nooit te ver door. Laat raadsels raadsels blijven. ‘Asmonya had twee kinderen,’ zegt Neil, ‘net als Stella, en toch zwom ze weg. Ze had geen keus toen de veerman haar naam uitsprak.’
‘Daarom vertelde Stella het, denk ik,’ zegt Dagmar. ‘Als we ooit te weten komen wie ze is, verlaat ze ons.’
‘Niet verlaten. Ik zou jullie nooit vrijwillig verlaten.’ Stella staat in de deuropening. Haar gezicht ziet grauw van ellende en een mondhoek trilt. ‘Maar als mijn oude familie me ooit vindt, zullen ze mij uit jullie wereld wegsleuren.’
‘We wilden niet...’ Neil schudt zijn hoofd. Elk excuus is slap, ontoereikend.
'Je zag mijn land, Neil,’ zegt Stella. 'Je zag de Duizend Eilanden. Wat betekent dat mijn achtervolgers een moment gruwelijk dichtbij waren. Dat ze die dag in Amersfoort niet verder dan de snede van een scheermes, dan een hartenklop van mij af waren.
‘We mogen niet vragen wie je bent?’ zegt Dagmar.
‘Nooit. Erover praten kan al te veel zijn, hen op mijn spoor brengen. Ze hebben hulp. Niet alle oren die je kunnen horen, zijn menselijk.’
‘Maar je bent...’ Neil raapt al zijn moed bij elkaar. Het is zo’n onzinnige vraag. Beledigend ook. 'Je bent in ieder geval zélf een mens?’ Geen betoverde dolfijn, geen magische zeeprinses, bedoelt hij eigenlijk.
Stella glimlacht. ‘O ja hoor, een mens, een doodgewone vrouw. Ik vluchtte omdat ik dat dolgraag wilde blijven.’
Vraag niets. Vertrouw op mij. Als je doorvraagt, breng je me in gevaar. Als je doorvraagt, zul je mij verliezen.
De kerkklok slaat elf en Neil hoort elke slag als een golf over de daken wegrollen. Uit het zolderraam kan hij een drietal sterren zien, de knipperende lichtjes van een jumbojet.
Stella heeft makkelijk praten.
Hij draait zich op zijn linkerzijde, trekt zijn benen op. De dekens raspen langs zijn kin, even heet en kriebelig als staalwol.
Ik kan de eilanden niet op bevel vergeten, de gouden schepen.
De ene na de andere herinnering welt op, gebeurtenissen die hij weggedrukt heeft. Die hij moedwillig vergeten is. Omdat ze te vreemd waren, niet klopten. Ieder kind wil dat zijn moeder normaal is. Net als andere moeders, maar dan natuurlijk een beetje flitsender.
Er was de zondagmiddag dat hij en Dagmar met Stella in het Wilhelminapark wandelden en hij plotseling het dreunen van de branding opving. Het gekrijs van meeuwen drukte de zangvogels weg. De smaak van zilt stuifwater op zijn lippen.
‘Mee!’ beval Stella. ‘Nu!’ Ze had hen struikelend en protesterend aan hun armen het theehuis in gesleurd, het damestoilet in. Ze draaide de deur op slot en klikte het licht uit. ‘Geen woord!’ snauwde ze.
Doodsbang hadden ze in het donker gewacht tot Stella ten slotte de deur opendraaide.
‘En waar hebben jullie zin in?’ had Stella met een veel te opgewekte stem gevraagd. ‘Een ijsje met twee bolletjes en extra slagroom?’
‘Drie bolletjes!’ had Neil prompt geroepen. Wonder boven wonder had hij die nog gekregen ook.
Toen hij een halfuur later het zonovergoten park in stapte, was het gebruis van omslaande golven verdwenen. De geur van teer en zeewier had plaatsgemaakt voor jasmijn en uitlaatgassen.
Het moesten de Duizend Eilanden geweest zijn, begrijpt hij nu. Vlakbij.
Stella had het over achtervolgers. Jagers.
Het is zijn laatste bewuste gedachte: Neils ogen vallen dicht en zijn oudste nachtmerrie begint opnieuw.
Neil is jong in deze droom, jonger nog dan in het Wilhelminapark. Hij zit in een buggy en heeft een knuffel op schoot.
Ze hobbelen langs een lage ligusterhaag. De blaadjes zien er onecht uit, precies het stoffige plastic van een playmobil-boom.
‘Dit is Dagmars school, beste kerel,’ zegt Stella. ‘Haal maar een oogvol aan boord. Daar mag je later ook naartoe.’ Hij strekt zijn nek en kan net boven de haag uit kijken. Op de brede ramen van de school zijn, met glasverf en niet al te veel talent, paashazen en blauwe smurfen geschilderd. ‘Mag Jaap mee?’
Jaap is zijn beste vriend in de crèche. Jaap heeft een Game Boy met meer spelletjes dan Neil vingers en tenen heeft.
‘Jaap gaat vast..’ Zijn moeder blijft stokstijf staan. ‘Niets zeggen,’ fluistert ze. ‘Beweeg geen pink.’
‘Is er een wolf?’ fluistert hij terug.
Spannend! Gisteren zonden ze een film vol hongerige wolven uit. Ze konden het jongetje Pjotr niet zien zolang hij maar doodstil bleef staan.
‘Roofdieren, jagers. Als je stil blijft, zijn we veilig.’ Traag, zo langzaam dat Neil haar hand amper ziet bewegen, reikt ze in haar bloes en trekt de munt aan het zilveren kettinkje te voorschijn.
Stella heeft die hanger altijd om, zelfs als ze aan het zonnebaden is op het naaktstrand.
‘Zoek mij niet links.’ Stella draait de munt tussen duim en wijsvinger. ‘Niet rechts, niet hier, niet hier. Overal... elders. Zoek mij in de wijde, winterblauwe hemel waar de albatros zeilt. Op weilanden tussen de grazende ganzen en de lachende kraanvogels. Maar niet hier. Nooit hier.’
Neil weet dat er een puzzel op de munt staat. Net zo’n doolhof als in MIJN EERSTE SPELLETJESBOEK. Alleen zit er zeshoekig gat in het midden van Stella’s doolhof, geen piratenschat.
Zonlicht fonkelt op de lijnen van het doolhof. Een moment lijken de lijnen van de munt af te glippen en in muren van pure zonneschijn te veranderen. Ze zigzaggen over de straat, vouwen zich dwars door de huizen uit, reiken de school in.
De muren doven uit, maar Neil weet dat ze er nog steeds zijn. Een doolhof, zo wijd als de stad.
‘Zoek mij tussen de wieken van ijzeren molens,’ fluistert Stella, ‘maar niet hier. Nooit hier.’
Bij ‘ijzeren molens’ ontdekt Neil de jagers aan de overkant van de straat. De twee mannen zien er niet als wolven uit, maar ze zijn het beslist.
Neil kan hun kwaadaardigheid voelen, een nijdig gezoem dat hij eerder met zijn buik dan zijn oren hoort. De voorste heft zijn kin op en zijn neusvleugels verwijden zich. Hij zuigt de lucht zo krachtig in, dat Neil hem hoort snorken. Zie je wel? Een wolf. Ze proberen het spoor van Stella en mij te vinden, onze geur op te snuiven.
Geen angst. Dit lijkt veel te veel op een tekenfilmpje om eng te zijn. Monsters jagen op je maar krijgen je never nooit te pakken, dat weet iedere kleuter.
Ze lijken een beetje op mamma, denkt hij, hun haar is even wit. Blond als een poolvos, zo noemt zijn vader Stella’s haar steevast.
‘Ik proef haar vrees,’ zegt de kleinste man. ‘Ze wriggelt als een alikruik in azijn. Die teef moet...’
Zijn maat haalt uit. Neil kan de klets tegen de wang van de ander duidelijk horen.
‘Noem haar niet zo! Zij is de Vrouwe van de Behouden Vaart. Onze Stella Maris!’
De ander toont een dubbele rij tanden in een grimas en sist. Meer dan ooit lijkt hij op een magere wolf. ‘Pas als ze veilig in haar toren opgesloten zit. Tot dan is ze een vunzige wegloopster!’ Hij kromt zijn wijs- en middelvinger en zwaait zijn hand voor het gezicht van zijn maat heen en weer. ‘De volgende keer dat je me aanraakt, Prester, de volgende keer voer ik je oren aan de slijkspringers!’
‘Vast en zeker, Tebbe. Jij en drie ingehuurde modderworstelaars.’ Prester tuurt op het gouden horloge aan zijn pols. ‘Ze moet ergens binnen een straal van zestig meter verscholen zitten. Vlakbij.’
‘Dat gebouw misschien?’
De jagers kijken recht naar Stella en Neil, maar hun blik glijdt over hen heen.
‘Valt te proberen. Wie geen aas strooit, haalt een lege kreeftenkooi op.’
‘Te dichtbij.’ Stella tikt op zijn schouder. ‘Knijp je ogen dicht. Stijf dicht.’
Neil gehoorzaamt. Door zijn wimpers blijft hij naar zijn moeder gluren. Wat niemand ziet, telt niet.
Stella vist een propje blauw papier uit haar jaszak, amper groter dan een toverbal. Ze trekt het propje open, strijkt het glad. Vouwt het opnieuw open en nu is het papier al zo breed als een prentenboek.
Voetstappen.
‘Ik denk dat ze zich inderdaad in die school verstopt heeft.’ Presters stem klinkt afschuwelijk dichtbij. Neil durft zijn hoofd niet te draaien en bijt hard op zijn onderlip. Als je doodstil blijft zitten, kunnen wolven je niet zien. Ook wolven in een mensenlijf niet.
Stella’s papier is intussen zo breed als een krant. Ze schudt het uit tot een tafellaken, trekt een kreukel tot een papieren arm, vouwt een been, een hoofd.
Wat knap! denkt Neil. Waarom heeft ze ons dat nooit geleerd?
Zelfs zijn grote zus is nooit verder dan kraanvogels en brullende draken gekomen. Zijn vader is hopeloos: een papieren hoedje is al een prestatie voor hem.
Neils moeder springt de straat op, wuift met haar armen en sprint weg.
Neil schiet overeind en zijn knuffelpanda tuimelt in de goot. ‘Mamma!’ krijst hij. ‘Laat me niet alleen!’
Een hand smoort zijn schreeuw. Als hij benauwd sputterend opkijkt, staat Stella naast hem. ‘Dat ben ik niet,’ fluistert Stella in zijn oor. ‘Alleen een drog met mijn gezicht.’
‘Daar gaat ze!’ juicht Tebbe. Hij stoot een ratelende hinnik uit. ‘Ik zie je, zuster!’
De mannen sprinten achter de tweede Stella aan. De valse Stella.
En Neil ontwaakt. Zoals altijd.
Ditmaal probeert hij de rafelende droom vast te pakken, elk detail zijn geheugen in te trekken. Wat de droom alle eerdere keren tot een nachtmerrie maakte, was de onvolledigheid. Hij herinnerde zich zelden meer dan flarden: de jagers die het haar van zijn moeder hadden, Stella die laf wegvluchtte en hem achterliet voor de man-wolven.
Maar ze vluchtte niet. Ze vouwde zichzelf een papieren Stella. Een die genoeg op haar leek om de jagers te misleiden.
‘Drog,’ zegt hij tegen de duisternis. ‘Ze noemde de valse Stella een drog.’
Duizend-Eilanden-kennis. Misschien is het een truc dat ieder kind daar kent, niet moeilijker dan skaten of een zandkasteel bouwen. Ik kan het niet. Daar gaat het om. Een vreemde honger komt op die niets met voedsel te maken heeft, een intens verlangen naar magie, naar macht. Ik ben Stella’s zoon! Ik heb het récht om zulke zaken te leren.
De hemel kleurt grijs achter de donkere daken voor hij uiteindelijk in slaap valt.
Ken jij misschien een zekere Stella?
Neil draait de luxaflex open. Druppels kruipen over het glas omlaag als doorzichtige slakken. Daarachter een egaal grijze hemel.
‘Waarom moet het nu weer regenen? Ik wou dat we in Afrika woonden.'
Aan de keukentafel knikt Dagmar heftig. ‘Yes yes, een lekker warm land met een blauwe zee en duizend palmboomeilanden.’ Ze zegt nog net geen ‘oeps!’, maar werpt toch een geschrokken blik op Stella. Neils moeder geeft een rukje met haar schouders, trekt een wenkbrauw op. Laat maar.
Het valt Neil niet mee om zich die ochtend normaal te gedragen. Woorden hopsen op het puntje van zijn tong. Zoveel vragen!
Over de Duizend Eilanden spreken kan al fataal zijn, had Stella gewaarschuwd. Er is zo weinig nodig om de jagers op mijn spoor brengen.
Hij gluurt naar zijn vader, die de krant als een windscherm omhoog houdt. Zo nu en dan stoot Richard een vermoeide pruttel uit, een zucht. Neils vader is ‘s ochtends niet op zijn best.
Zou pappa het weten? Over Stella’s eilanden? De achtervolging die nu al meer dan een dozijn jaren moet duren? Natuurlijk! Ouders hebben geen geheimen voor elkaar. Of liever, zo hoort dat.
Uit alle macht probeert hij zich een vreemde gebeurtenis te herinneren, waarbij zijn vader ook aanwezig was.
Keer op keer zijn de Duizend Eilanden Neils wereld binnengedrongen, realiseert hij zich nu. Hij had gedacht dat het dagdromen waren, eigen verzinsels.
Het poeltje bij de camping. Stella zei toen iets over Richard. Hij probeert de herinnering terug te halen.
Het was later dan de jagers, maar niet zoveel later. Ik zat in ieder geval al op school.
Een zomerdag, ja, zo heet en zoemerig dat zonlicht tussen de bomen leek te hangen. Met het puntje van zijn tong tussen zijn tanden had hij zijn papieren scheepje op het wateroppervlak gezet. Voorzichtig, voorzichtig: één schok en het scheepje kantelde.
Een windvlaag rimpelde het vijvertje. Neil hield zijn adem in: het bootje bleef overeind.
De kringen snelden over het water. Grappig: elke kring was hoger dan de vorige en al snel wijder dan de hele poel. Het bos verdween bij de volgende windvlaag, de tenten losten op. Kilometers en kilometers water klotste in een plas die een paar seconden geleden amper tot zijn enkels kwam.
De boeggolf van een passerende aak smeet Neils bootje om en vouwde het uit tot een natte klieder.
Neil stond ontzet aan de onmogelijk oever. Twee snuiten doken op uit het grijze water, zeehonden zo groot als nijlpaarden.
‘Mamma,’ piepte hij, ‘mamma. Mijn boot...’
Het ging natuurlijk niet om zijn boot. In de speelkoffer lag nog een compleet pak gekleurde vouwblaadjes: hij kon desnoods een complete vloot nieuwe bootjes maken. Het was deze onmogelijke plaats, het spottende knorren van de logge, bruine beesten in de branding.
Ik ben verdwaald. Ik zal onze tenten nooit meer terug kunnen vinden.
Voetstappen raspten door het ruige gras achter hem. Stella legde haar handen op zijn schouders. ‘Sluit je ogen, liefje.’ Hij gehoorzaamde met een snik van opluchting. Haar geur was veiligheid, bescherming. Was: mij kan niets slechts meer overkomen.
‘Adem diep in.’ Ze kneedde zijn nekspieren. ‘En uit. Je bent hier, Neil van me. Enkel hier. De camping. Otterloo.’ Hij gehoorzaamde. Moeders zijn je warme knuffeldeken, de hoge muur, waarover zelfs grommende beren niet kunnen klimmen.
Als ik mijn ogen opendoe, zullen ze weer terug zijn, beloofde hij zichzelf. Merels en leeuweriken, geen zeemeeuwen, geen harige zeemonsters.
‘In en uit, Neil. Goed zo, ja. Laat de eilanden los, laat de zee weer terugvloeien. Ik zie de boomtoppen al tussen de masten doorschemeren. In en uit.’
Hij telde tot twintig en bleef zo diep mogelijk ademhalen. De bries viel abrupt weg en maakte plaats voor het gegons van bijen. In de verte lachte een specht zo luid dat hij er bijna in leek te blijven.
‘Mag ik weer kijken?’
‘Ga je gang.’
Hoge sparren. De onmogelijke zee was tot een zanderige poel gekrompen. Al was zijn bootje wel verdwenen.
‘Waar was dat?’
‘Het blijft ons geheimpje,’ zei zijn moeder. Wat niet bepaald een antwoord was. ‘Vertel maar niks aan je vader. Hij ziet zulke dingen meestal niet. Nooit eigenlijk.’
Zeg maar niks tegen je vader. Hij ziet zulke dingen meestal niet.
Neil werpt een steelse blik op zijn vader. Richard heeft de Volkskrant opzij gelegd en nipt nu met gesloten ogen aan een mok pikzwarte koffie.
Richard weet het niet. Hij kan het niet zien.
Omdat pappa enkel van hier is. Gewoon een mens. Door zijn aderen stroomt geen druppel Eilandersbloed.
Arme pappa.
Stella schuift juist een derde krat bierflesjes in de achterbak als Neil op zijn fiets uit het tuinpoortje rijdt.
‘Zo zo, jullie hebben flink doorgedronken.’
‘Ach, het is nog van je oom Herbert vorige week. Als hij en tante Kim langskomen kun je beter een tankwagen bier voor het huis parkeren.’ Ze slaat de achterklep dicht. ‘Na mijn werk breng ik ze wel even naar de supermarkt.’
Een afgrijselijke krijs snijdt door de ochtendstilte. Het kaatst tussen de huizen. Een tweede doodskreet snerpt voor de echo’s kunnen wegsterven.
‘Wat is dat in vredesnaam? Het kwam van boven.’ Neil zoekt de hemel af, de daken. ‘Klonk alsof er een baby gekeeld werd.’
Bij de derde krijs ontdekt hij de schuldige. Een forse kraai zit op de rand van de dakgoot van de Groenevelders. Hij opent zijn gele snavel.
‘Hou je stomme rotkop!’ schreeuwt Stella. Haar bierflesje spat vlak onder de dakgoot in scherven uiteen. De vogel wiekt beledigd op, strijkt een huis verder op een schoorsteen neer.
Hij was goed boos, zeg!
‘Zo klinkt een misthoorn,’ zegt Stella. ‘Een angstschreeuw die elke doezelende schipper uit zijn slaap rukt.’
‘Misthoorns loeien toch?’ Waar heeft Stella het over?
‘De onze niet, Neil. Niet de misthoorns van de Duizend Eilanden.’ Ze tuurt naar de grijze hemel. ‘Kraaien zijn napraters. Ze bootsen rinkelende trams na, de beltoon van je mobieltje. Ze verzinnen niets zelf.’
‘Oh.’
‘Hij moet de misthoorn gehoord hebben. Kort geleden. De Duizend Eilanden waren vlakbij.’
De Duizend Eilanden. Ineens is het geen wonderbaarlijk toverland meer, geen plaats waar hij superkrachten kan leren.
Dit was te dichtbij, denkt Neil. Als een kraai de misthoorns hoorde, moeten de golven bijna tegen ons huis geklotst hebben.
Hij kijkt naar Stella die de straat afspeurt. Gebalde vuisten, rukjes met haar hoofd.
Ze is zo gespannen als een opgejaagd dier.
‘Ons naambordje, Neil!’ Ze grijpt zijn pols vast. ‘Ik ben een daas, een zandgeep met wier in d’r harsens! Ik kan net zo goed een barnstenen knipperpijl ophangen met “Hier huist jullie Vrouwe”!’
‘Wat bedoel je?’
‘Ik had mijn naam moeten veranderen. Geen Stella. Stella is niet alleen hoe ik heet, maar ook wat ik ben. Elke jager zou mijn naam meteen herkennen.’
Ze trekt de rol met gereedschappen ratelend onder de voorbank vandaan en duwt hem een schroevendraaier in de hand. ‘Draai het naambordje los. Ik haal een hamer uit de bijkeuken.’
Het naambordje is een hemelsblauwe tegel. Natuurlijk Stella’s werk. Een lijst van geglazuurde schelpen en hun voornamen staan er in krullerige zilveren letters op. STELLA & RICHARD GREVENDAL. Daaronder: DAGMAR & NEIL & BORNEO. Borneo was Dagmars cavia, die intussen al twee jaar dood is.
De schroeven zitten vastgeroest. De vierde is hopeloos: hij lijkt niet eens meer op een schroef en van een gleuf is al helemaal geen sprake meer. Neil werkt de schroevendraaier voorzichtig onder de hoek linksonder en wrikt. Voorzichtig: het is zonde om de tegel te kraken.
‘Laat mij maar,’ zegt Stella achter hem. ‘Als je even opzij wil stappen?’
Haar mokerhamer smakt tegen de tegel, die in scherven op de stoep klettert.
Stella valt meteen op haar knieën en heft haar hamer op. Ze timmert door met een verbeten soort woede die Neil angst aanjaagt. Er zit zoveel wanhoop in.
Met haar hak schopt Stella de gruizels en het witte stof in de goot. Ten slotte geeft ze er een mep op die splinters laat rondspatten.
‘Slimme jager die hier een letter van leest.’
Ze komt overeind en duwt de moker in Neils hand. ‘Kun jij die even terughangen? Ik moet als de wiedeweerga door naar mijn werk.’
‘Je wang bloedt,’ zegt hij. ‘Ik denk dat een van die scherven..?
Ze veegt over haar wang, werpt een blik op haar vingertoppen. ‘Gaat vanzelf wel dicht.’ Ze lacht, maar een kraai zou het overtuigender doen. ‘Als je lekker bezig bent, valt zoiets je niet op.’
Neil kijkt de wegrijdende auto na.
Als je lekker bezig bent. Stella was zo trots geweest op dat naambordje. Het eerste werkstuk dat intact uit haar nieuwe pottenbakkersoven kwam.
Neils linkerbuurman houdt zijn spreekbeurt vandaag: hockeyen. Jeffrey heeft een video meegenomen van zijn laatste wedstrijd. Het lokaal is aardedonker en de beamer werpt een schokkerig beeld op de witte muur.
Hockey! Neil kan zich amper een stommer onderwerp voorstellen. Een beetje met een malle stok tegen een raar balletje meppen. Het ergste is nog dat het altijd zaterdagochtend vroeg is. Net als zijn vader blijft Neil liever uitslapen. ‘En dan heb je natuurlijk ook de regionale competitie,’ neuzelt Jeffrey.
Zelf houdt Neil van ruigere sporten. Wildwaterkanoën, bergbeklimmen. De eerste keer dat hij zich tegen een bergwand omhoog klauwde, eindigde hij met bloedende vingertoppen. De rest van de week had hij zo’n spierpijn dat hij uitsluitend kon hinken. Ha, hij kon amper een lepel vasthouden, zo verkrampt waren zijn vingers! Kijk, dan weet je dat je écht gesport hebt.
Marlies steekt haar hand op.
‘Op de video zwaaien jullie zo woest met de sticks in het rond. Doet het geen pijn als iemand een knal tegen je been geeft? ‘