Excerpt for De Trap Naar De Nederzee by Tais Teng, available in its entirety at Smashwords

De trap naar de Nederzee

Tais Teng

De trap naar de Nederzee Copyright 2012 Tais Teng
Omslagillustratie Copyright 2012 Tais Teng
Samenstelling en redactie: Roelof Goudriaan

ISBN: 978-1-4659-5838-9


Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl


Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.


Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net


No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


***

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

1. Wil je je broertje ruilen?

Wanda de Koning haakt de elastiekjes van haar monstermasker om haar oren en buigt zich naar de passpiegel.

Het masker ziet er onwijs gaaf uit. Zo’n knetterend gifgroen masker, met minstens honderd schubben. Slagtanden zo lang als haar eigen vingers. Ze heeft het masker die middag uit karton geknipt en de schubben er een voor een opgeschilderd.

Bijna goed, denkt ze. Alleen die slagtanden bevallen me nog niet. Veel te wit. Het lijkt verdorie wel een tandpastareclame! Nee, wat ik nodig heb is een flinke kledder bloed. Of desnoods groen slijm.

Ze klapt haar verfdoos open. Het houten sigarenkistje is leeg.

Broertjes! Ze jatten erger dan een nest eksters. “Alex!” brult ze, “heb je weer aan mijn verf gezeten?”

“Ik weet niks van jouw stomme verf!”

Wanda kent dat verontwaardigde toontje. Alex liegt.

Ze duwt de deur van Alex’ kamer open. Midden op zijn knutseltafeltje liggen haar tubes. In een ordeloze hoop neergekwakt, de meeste zonder dop.

Dat stuk ongeluk is weer eens aan het vingerverven geweest.

“Ik zei nog dat je met je fikken van mijn verf moest afblijven! Je hebt eigen tubes!”

“Die van mij zijn allemaal hard.” Alex doet niet eens de moeite om op te kijken. Hij houdt haar tube met karmijn in zijn knuistjes geklemd en trekt een bloedrode streep over een stuk grijs karton.

“Geef hier, okkeloen!” Ze wrikt de tube uit zijn vingers en slaakt een diepe zucht. Leeg. Meer dan een paar druppels kan ze er onmogelijk uitknijpen. “Ik vermoord je!”

“Ben lekker toch niet bang voor je.”


“Prima masker,” zegt haar moeder als Wanda aan de eettafel bijschuift. “Vooral die bloederige slagtanden. Wat was dat monster aan het verslinden?”

“Broertjes,” sist ze. “Monsters zijn dol op kleine ettertjes die de verf van hun zusjes stelen.”

“Monsters kunnen mij niks doen!” Alex zwaait met zijn straalpistool. “Ik knal ze gewoon neer.” Hij knikt heftig. “Spoken vliegen zo in de fik. Het zijn alleen maar lakens met ogen.”

“Hou jij Alex straks een beetje in de gaten?” vraagt moeder. “Ik heb hem beloofd dat hij tot het einde van het feest mag blijven. Half negen is vrij laat voor zo’n kleintje.”

Die avond is er een spookfeest op school. Halloween. Ook de onderbouw mag meedoen.

“Jasses,” mompelt Wanda en kijkt naar haar tenen.

“Wanda. Ik vroeg je wat.”

“Oké, ma.”


Het is inderdaad een ideale nacht voor een spookfeest, besluit Wanda als ze het schoolplein opwandelen. De wind blaast de dorre bladeren naargeestig ritselend over de tegels. De ramen hangen vol uitgeknipte schedels. Hun directeur heeft zich als een vaalgroene, al behoorlijk rottende zombie laten schminken.

“Kom in mijn kasteel, lieve kindertjes,” rochelt zijn stem over het schoolplein. “Dan krijgen jullie een overheerlijk bord spinnenkoppensoep!”

Twee kleine meisjes met weerwolfmaskers versperren Wanda de weg. “We bijten je in de bil!” joelt de voorste.

“Hah!” zegt Wanda. “Mijn tanden zijn meters langer dan de jouwe!” De meisjes stappen giechelend, maar toch een beetje onder de indruk, opzij.

Alex draagt dat belachelijke plastic vampiermasker uit de feestwinkel. Hij liever dan ik, denkt Wanda.

“Sommige monsters zijn vannacht echt,” zegt Alex ineens. “Ze doen alleen maar alsof ze kinderen zijn. Ze grijpen je als je in je eentje bent. Bijten je armen af.”

“Wat een kletskoek. Wie vertelde je zulke laaiende nonsens?”

“Dat weet iedereen toch?” Hij trekt aan haar hand. “Ik weet iets gaafs, Wan. We gaan eerst bij oma Liddell langs. Die is dol op eng!”

Oma Liddell is niet echt familie. Maar iemand die zo oud is als zij noem je automatisch oma. Ze zou een spookfeest inderdaad wel geinig vinden, denkt Wanda. Ze heeft al Wanda’s boeken van het Griezelgenootschap gelezen en op haar dressoir staat een heuse doodskop. Als oma Liddell geen heks is, dan kent ze er vast wel een paar. Misschien de dames die elke woensdagmiddag komen bridgen?

“Kom je?”

“Als je me morgen helpt met afwassen.”


De deur zwaait open zodra Wanda naar de antieke koperen belknop reikt. Oma moet zo ongeveer op het deurmatje gewacht hebben.

“Monsters!” jammert ze. “Twee gruwelijke monsters!” Ze steekt haar handen bevend omhoog. “Eet mij alsjeblieft niet op, beste monsters. Ik ben maar een taaie, oude vrouw en smaak vast vreselijk vies. Naar spruitjes op roggebrood.”

“Je geld of je leven!” gromt Wanda met haar beste monsterstem. Alex richt zijn straalpistool. “Als je niet genoeg goudstukken hebt, brand ik een gat in je buik!” Alex houdt niet van dat subtiele.

“Ik ben zo arm als een kerkrat, beste monsters! Ik bezit nog geen houten stuiver.”

“Dan schiet ik op je kat!” dreigt Alex.

“Daar zou Grimwald flink van balen,” knikt oma. “Een kat heeft maar negen levens. Grimwald is zo’n vechtersbaas: veel kan hij er niet meer overhebben.” Ze voelt in haar zakken en houdt een ijzeren sleutel omhoog. “Hé, wat is dat nu weer voor sleutel?”

Wanda glimlacht. “Volgens mij past die op het dressoir in de huiskamer. Waar de snoeptrommel staat.”

“Snoeptrommel?” mompelt oma. “Ik weet niks van een snoeptrommel.”

Oma had bij het toneel moeten gaan, denkt Wanda. Je zou werkelijk geloven dat ze een verward oud vrouwtje is.

Alex grist de sleutel uit oma’s hand.

“Moet je zien, Wanda!” komt zijn stem even later uit de zitkamer. “Lollies en dropveters! Zelfs plastic soldaatjes!”

Ze proppen hun zakken vol met marsrepen en snoepkettingen. Alex kiest twee vikingsoldaten met grote hakbijlen uit en een opwindrobotje.

In de deuropening legt oma een hand op Wanda’s schouder. “Let een beetje op je broertje, jongedame. Toen ik een klein meisje was, namen we Allerheiligen bloedserieus. Iedereen schoof de zwaarste grendel voor zijn deur en trok de dekens zo ver mogelijk over zijn hoofd. We geloofden dat geesten en monsters deze nacht vrij spel hadden. Er was niemand om je te helpen als ze je in je nekvel grepen. Alle beschermengelen hadden een snipperdag.”

“Maar oma, dit is toch maar een spelletje! Gewoon een spookfeest op school. De enige monsters zijn broertjes met maskers.”

“Het blijft Allerheiligen, ook al maken jullie er zo’n Amerikaans Haloweenfeestje van.” Oma tuurt naar het rood verlichte schoolgebouw, de flakkerende doodskoplampions tussen de bomen. Zombies en spoken in fladderende lakens snellen over de straat, terwijl een zware kerkklok het middernachtelijk uur rijkelijk vroeg inluidt. “Niet alle monsters dragen vannacht maskers, Wanda. Hou je broertje een beetje in de gaten, wil je?” Ze sluit de deur.


Om een uur of negen eindigt het feest met een poppenkastvoorstelling in de gymzaal. DE SCHAT VAN DE GRIEZEL. Echt eng vindt Wanda het niet, maar wel grappig. Vooral met die twee domme boeven. Ze denken dat de griezel een kist vol goudstukken en diamanten in zijn graf verbergt, maar het zijn enkel plakboeken vol stoffige spinnenwebben en zakken met vergeelde knekels.

“Dat was het dan,” reutelt de zombie-directeur als het gordijn dichtvalt. “Morgenochtend zie ik jullie weer.” Hij toont zijn lange tanden. “En denk erom, geen snoep aannemen van vreemde spoken!”


“Ik geef oma Liddell nog even een nachtzoen,” zegt Alex op het schoolplein. “Die slaapt vast nog niet.”

Hij steekt de straat over zonder op toestemming te wachten.

“Hé, meisje!” Twee jongens duiken uit de struiken op. De kortste draagt hetzelfde knullige vampiermasker als Alex ziet Wanda. Waarschijnlijk komt het ook uit de feestwinkel op de Gasthuisstraat.

“Wreed Aller..., eh, spookfeest toch?” zegt de grootste. Hij draagt het beste masker dat ze die nacht heeft gezien. Volkomen levensecht: een soort kat met ogen van barnsteenkleurig glas. Een van de oren beweegt en komt trillend overeind.

Wanda voelt een steek van jaloezie. Zijn vader moet dat masker gemaakt hebben. Of een oudere broer. Zo’n gaaf masker ligt vast in geen enkele feestwinkel: dit is echte kunst.

De langste jongen tilt de ander bij de oksels op en duwt hem zowat in Wanda’s armen.

“Wil je je broertje ruilen, dame? Ik heb schoon genoeg van dit ettertje.” Hij buigt zich naar voren. “Kijk, hij draagt hetzelfde masker als jouw broertje. Niemand zal het verschil zien.” Zijn kattenogen lijken plotseling op te gloeien: ingebouwde lampjes? “Kom op, Wanda. Je hebt een hekel aan je broertje. Je haat hem! Dit is je grote kans, mensenmeisje. Zeg gewoon ‘ja’ en je hoeft hem nooit meer te zien.”

Wanda doet onwillekeurig een stap achteruit. Dit geen spelletje, geen stom geintje, maar iets wat veel bedreigender is. Hoe weet hij haar naam? Het is beslist geen jongen uit haar klas. Ze snuift plotseling een vreemde, bijtende geur op. De stank van smeulend plastic, van verschroeiende haar.

“Ik ruil mijn broertje niet,” zegt ze met trillende stem. “Het helpt toch geen ene hoela. Alle broertjes zijn hetzelfde.”

“Deze niet. Hij is zo zoet als klaverhoning.”

Het jochie giechelt. “Ik zal nooit je verfdoos pakken zonder te vragen,” piept hij.

Het is alsof een ijzige vinger over Wanda’s ruggengraat strijkt. Hij kan mijn gedachten lezen!

Aan de overkant van de straat hoort ze oma’s deur slaan, dan Alex’ voetstappen.

De kleine jongen reikt in zijn winterjas en toont haar een straalpistool. “Zie je? Ik heb alles wat een broertje nodig heeft.”

“Ga weg.” Veel meer dan een hese fluistering is het niet. “Ga weg! Jullie mogen mijn broertje niet hebben!”

De grootste jongen ontbloot onwaarschijnlijk scherpe tanden en ze weet ineens absoluut zeker dat het geen plastic opzetstukje uit de feestwinkel is. Die roofdiertanden groeien uit levend vlees.

“We hoefden het niet te vragen, weet je. Het leek ons alleen wat beleefder.” Dit is geen menselijke stem. Het spinnen van een tijger.

“Tof masker,” zegt Alex vlak achter haar. Ze draait zich met een ruk om, maar haar broertje staat al naast de jongen met het kattenmasker.

“Alex? Kom hier! Nu meteen!”

“Ik mag toch wel even kijken?”

Ze grijpt hem bij de pols en geeft een keiharde ruk.

“Je doet me pijn!” jammert Alex.

“Mee!” gromt ze.

Achter haar klinkt een gedempt gegrinnik, bijna een hoonlach. Wanda durft niet om te kijken. Stel je voor dat de stoep verlaten onder de lantaarns lag?

2. Halt! In naam van Illys!

Het was een geintje, probeert Wanda zich zelf wijs te maken. Die rotjongens waren me gewoon aan het voeren. Maar waarom fladderen mijn gedachten dan als angstige motten door mijn hoofd? Waarom siddert een schreeuw op het puntje van mijn tong?

Toch, tegen de tijd dat ze de sleutel in de voordeur steekt, gelooft ze het bijna. Een rotgeintje. Een ongelooflijk knap masker.


Alex deponeert de inhoud van zijn zakken op de keukentafel. Hij legt de dropveters en marsrepen zorgvuldig opzij. “Ik eet elke dag één reep,” verklaart hij. “Anders krijg ik pijn in mijn buik.”

“Uh?” zegt Wanda. “Ben je misselijk of zo?”

“Het is onverstandig om alles achter elkaar op te schrokken.” Hij kijkt naar zijn speelgoedvikings. “Jij hebt geen enkel soldaatje, Wanda. Terwijl ik er drie meenam. Wil je er twee? Of mijn robot?”

Wanda deinst terug tot ze met haar rug tegen de muur schuurt. Haar vingertoppen voelen als ijspegels. “Jij... je bent Alex niet. Niet mijn broertje!”

Het kereltje kijkt haar recht in de ogen. “Ik ben het enige broertje dat in de aanbieding is, zus.”

Wanda kan haar blik niet afwenden. Zijn ogen verkleuren tot ze geel als de ogen van een slang worden, de pupil een zwarte streep. Ze probeert te gillen. Haar tong blijft slap in haar mond liggen.

De ogen lijken een stuk groter nu: traag wentelende wielen van geel vuur.

“Misschien is het beter dat je dit vergeet,” zegt het wezen dat beslist haar broertje niet is. “Vergeet dat je mij en mijn broer ooit ontmoette. Ik ben Alex, Wanda. De enige echte Alex.”


Wanda knippert met haar ogen. Ze staat met haar rug tegen de muur geperst en haar hart bonst nog in haar keel. Er was iets mis, vreselijk mis. Maar ze kan zich absoluut niet meer herinneren wat.

Haar broertje zit aan de keukentafel met zijn nieuwe soldaatjes te spelen. Ze schudt haar hoofd en haar vermoeidheid slaat als een suizelende, zwarte golf over haar heen. “Ik denk dat ik maar naar bed ga.”

Alex veegt zijn soldaatjes bij elkaar. “Ik ook.”


Het gekwetter van de tv in de huiskamer wekt haar. Fox kids, denkt ze. Of Cartoon Network. Een minuut klinkt het ademloze ‘Meep! Meep!’ van de Roadrunner.

Als ze de keuken binnenstapt zit de rest van de familie al om de keukentafel.

“Ik heb zo fantastisch gedroomd!” zegt vader.

“O nee!” kreunen moeder en dochter in koor. Weinig is zo saai als andermans dromen.

Moeder schenk een glas melk in. “Drink op. Na het ontbijt gaan op visite bij tante Jessica. Zin om mee te gaan?”

“Liever niet.” Jessica is nu niet bepaald haar favoriete tante. Alleen haar bulldog al: die kwijlebal staat voortdurend op haar schoenen te lekken.

“Daar had ik al zo’n vermoeden van. Alleen komen we morgenochtend pas terug. Als je wilt kun je bij oma Liddell logeren. Ik heb het haar al gevraagd.”

“Mij hoor je niet klagen.”

Op de tv is de Roadrunner nog steeds over de snelweg aan het racen. Zijn vijand, de Coyote, rolt een rotsblok zo groot als een caravan tegen de heuvel.

“Valt er niks anders te zien?” klaagt ze. “Die stomme vogel komt me intussen de neus uit.”

“Mij best,” zegt Alex. Het scherm flikkert en daar heb je die ellendige Roadrunner weer.

“Laat mij eens.” Wanda plukt de afstandsbediening uit zijn hand. Het nieuwe station zendt hetzelfde tekenfilmpje uit. De volgende vijf eveneens.

“Hou er maar mee op,” zegt haar vader. “Het moet aan de tv liggen. Ik zal ze maandag opbellen.”

Wanda tuurt naar het scherm. CNN, beweren de letters in de bovenhoek. CNN is een bloedserieuze nieuwszender, die never nooit een tekenfilm zal uitzenden. Alle zeven kanalen moeten hetzelfde tekenfilmpje tonen...


“Voor we vertrekken, poets je eerst je tanden, Alex,” zegt haar moeder. “Wanda, controleer je hem even?”

Alex is al bezig als ze de deur van de badkamer wil openen. Shit. Hij zit op het haakje.

“Ga weg!” roept Alex. “Ik kan het heus zelf wel!”

“Ja, ja, en vissen rijden op racefietsen rond.” Ze helpt Alex altijd met poetsen. Anders smeert hij de tandpasta over zijn hele gezicht terwijl de borstel zelden in de buurt van zijn gebit komt.

“Je mag er niet in!”

“Vertel dat aan mama.” Ze wipt het haakje op met haar tenniskaart.

Alex staart haar woedend aan. Ze heeft hem nog nooit zo nijdig gezien. “Ze zouden je in een kooi moeten stoppen, zus. Jij bent te stom om vrij rond te lopen.”

Wanda ziet haar eigen gezicht in de spiegel weerkaatsen. Haar eigen gezicht en verder niets. Alex staat pal voor de spiegel, maar het glas weigert hem te tonen. Alsof hij doorzichtig is.

Diep in haar brein lijkt iets te klikken. Ze herinnert zich de afgelopen nacht weer. De jongen met levende masker. Het jochie dat haar broer niet is. Ook al heeft hij Alex’ gezicht.

Hij heeft me gehypnotiseerd!

Het wezen laat zijn tandenborstel op de tegels kletteren. Wanda staart naar zijn handen. Ze zijn bedekt met vaalroze bont. Zijn vingers eindigen in kleine klauwen, die er toch gemeen scherp uitzien.

“Je weet het weer, lief zusje. Een beetje dom van je. Want nu moet je alles weer opnieuw vergeten.”

Wanda slingert haar handdoek in zijn gezicht en boldert de trap af. Achter haar zwelt zijn stem tot een snerpende krijs aan. “Kom terug, jij hersenloos stuk mens! Halt! In naam van Illys!”

3. Het wisselkind

Wanda roffelt met haar vuisten op oma Liddells deur. “Laat me binnen! Alsjeblieft, oma, laat me bínnen!”

Een eeuwigheid later zwaait de deur open en werpt ze zich in oma’s armen. Ze voelen verrassend krachtig voor de armen van een hoogbejaarde vrouw.

Wanda’s doodsangst verdwijnt als een knappende zeepbel. Hier ben ik veilig. Geen monster komt oma’s deur door.

“Oma,” snuft ze. “Ze hebben Alex ontvoerd! Ik haat hem, maar hij is mijn broertje.”

Oma leidt haar naar de sofa, drukt haar met zachte dwang omlaag in de kussens. “Eerst even bijkomen, meisje.” Ze gaat naast Wanda zitten en aait haar over haar hoofd. Normaal zou Wanda dat vreselijk genant vinden. Ze is toch geen kleuter? Deze keer is het precies wat ze nodig heeft.

Wanda hikt nog twee keer na en kijkt met betraande ogen om zich heen. Op het vensterbank staat de antieke stopfles met ‘Drink me’ op het vergeelde etiket. Ze ontdekt dat de mottige speelgoedkonijn op het bijzet tafeltje een gloednieuw Rolex-horloge draagt. Uit zijn jasje steekt een zaktelefoon. Wanda glimlacht: oma is volslagen maf, maar ze haar niet anders willen hebben.

Oma legt een hand op haar knie. “Zo te zien gaat het weer een beetje. Vertel me wat er nu precies gebeurde.”


“Hij noemde me een ‘hersenloos stuk mens’,” besluit Wanda haar verhaal. “Alsof hij...” Ze slikt. “Alsof hij zelf niet geen mens was!”

“Tja, dat was hij waarschijnlijk ook niet. Hij had het ook over Illys?”

“Kom terug in naam van Illys, ja.”

“Een beroerde zaak. Illys ligt een allemachtig eind van hier. Een beetje lastig om daar even op bezoek te gaan.” Ze tikt met de poot van haar bril tegen haar kin. “Heb je wel eens van wisselkinderen gehoord?”

“Vaag. Wacht! In groep vier las de juf een sprookje voor. Ja. Soms stelen trollen of elfen een mensenkind. Ruilen het om voor een van hun eigen baby’s. Het kind dat ze achterlaten, lijkt altijd exact op het gestolen kind. Een wisselkind.” Ze veert op. “Bedoel dat dat joch een wisselkind was?”

“Daar ziet het wel naar uit.”

“Waarom zouden ze zoiets idioots uithalen?”

“Oh, zulke kinderen kunnen bijzonder nuttig zijn. Als spionnen in onze wereld om maar iets te noemen.” Ze drukt zich moeizaam op en pakt haar handtas. “Wijs me de plek aan waar je die jongens ontmoette.”


Wanda zoekt het plantsoen naast de school af, wappert met haar hand. “Daar ergens. Tegenover je huis. Ze doken uit die bosjes op.”

Oma buigt zich over de vochtige aarde. Ze zuigt de ochtendlucht diep in haar longen. Haar linkerhand beweegt in een lome acht, zwenkt dan naar rechts. “Achter die ligusterstruik.”

Twee paar voetsporen steken de rulle grond over.

“Illys,” zegt oma. “Geen twijfel mogelijk. Kijk maar eens naar hun voetafdrukken, jongedame.”

Wanda hurkt naast het spoor. Vrijwel meteen begrijpt ze wat oma bedoelt. Een normale voetafdruk drukt de aarde in. Deze voetsporen bollen juist uit de grond op. Vier rijen heuveltjes in de vorm van schoenzolen.

“Illys is het Land Onder De Aarde,” zegt oma. “Het Eerste Land Waar Alles Anders is. Tienduizenden jaren geleden woonden we daar allemaal, maar alleen sommige indianenstammen herinneren het zich. Ze vertellen nog steeds legendes over een onderaards rijk, waaruit hun voorouders omhoog klommen naar het zonlicht.” Ze krabt over haar kin. “De meeste wegen naar Illys werden afgesloten, maar niet allemaal.”

Ze vist een koperen kompas uit haar handtasje en spuugt op de naald. “Deze naald werd uit Illys-ijzer gesmeed. Hij zal altijd naar de dichtstbijzijnde ingang wijzen.”


Ze volgen het kompas door de Berkenweg, slaan linksaf naar de Esdoornlaan.

Met een ruk komt de naald tot stilstand en begint razendsnel om zijn as te tollen.

“Ik had het kunnen weten,” zegt oma.

Ze staan voor Wanda’s eigen huis.

4. De weg naar Illys

Oma laat zich op handen en voeten zakken en snuffelt aan de vochtige stenen van het tuinpad.

“Ze kwamen hier beslist langs. Om alle bewoners van Illys hangt een bepaalde geur.”

“Van smeulend plastic soms?” vraagt Wanda.

“Een tien met een griffel.” Oma krabbelt met krakende knieën overeind. “De trap naar de Nederzee zal pas tegen middernacht opengaan. En alleen op zeer bijzondere nachten.” Ze bestudeert de asgrijze hemel, de jagende wolken. “En ik vermoed dat dit zo’n zeer bijzondere nacht is.”


Haar ouders zijn al vertrokken en het huis lijkt Wanda alarmerend stil. Nergens voetstappen of gedempte muziek. Zelfs de traptreden kraken niet. Bijna alsof het huis zijn adem inhoudt.

“Het wisselkind vertrok met je ouders,” zegt oma. “Kon niet beter. Wijs me de kamer van je broertje.”

Als ze de overloop passeren, ziet Wanda de badkamerdeur nog op een kier staan.

Een wervelende, duifgrijze mist vult de spiegel. Een fractie van een seconde lijkt het gezicht van haar broertje uit de nevels te stollen.

“Oma! Kom eens kijken. De spiegel...”

“Ah, spiegels. Daar heb ik nogal wat ervaring mee.” Ze veegt het condens van het glas.

“Ik zag mijn broertje! Heel even maar.”

“Dat wisselkind keek in deze spiegel?”

“Ja.”

“Ik geloof dat ik het begrijp. Kijk, een spiegel kan het niemand uit Illys reflecteren. Daarom probeert de spiegel nog steeds het op één na beste.”

“Bedoel je mijn broertjes gezicht laten zien?”

“Precies. Omdat Alex en het wisselkind er hetzelfde uitzien.” Oma legt een vinger op het glas. “Laten we hem een duwtje in de goede richting geven.”

“Spiegel!” beveelt ze. “Toon mij Willem Alexander de Koning! Vier jaar oud. Esdoornlaan 29.”

De mist lost prompt op en in de spiegel wordt een joekel van een kinderkamer zichtbaar. Minstens negen bij negen meter.

De vloer gaat schuil onder een kniediepe laag speelgoedauto’s en voldoende straalpistolen om een complete creche te bewapenen.

De kamer moet speciaal voor Alex ingericht zijn, denkt Wanda. Geen normaal mens zou paars Roadrunner & Coyote behang uitkiezen.

Nu merkt ze haar broertje pas op. Op een metershoge gouden troon. Met zijn linkerhand richt hij een straalpistool met genoeg knipperende lichtjes om een kerstboom op te tuigen. In zijn andere knuistje omklemt hij een druipend ijshoorntje met minstens vijf bollen.

“Die poster,” wijst oma. “Ik denk dat daar alles om begonnen is.”

Een reusachtige poster met Alex’ portret hangt tegen de linkermuur. Bijzonder goed getroffen moet Wanda toegeven: haar broertje steekt zijn tong uit en trekt een lange neus.

KIES ALEX ALS GNINOK! leest Wanda. DE OUDSTE HERSENS KNARSEN HET BEST!

In de spiegel zwaait een deur open: de jongen met het kattenmasker stapt de kamer binnen.

“Wat is er nu weer, minister Cheshire?” klinkt Alex’ stem uit de spiegel.

“Het volk wil dat U ze toespreekt, Uwe majesteit. Als uw minister zou ik...”

Een helder ‘ploink!’ tinkelt door de badkamer. In de rechterbovenhoek van de spiegel verschijnt een barst die razendsnel door het glas zigzagt. Een moment later klettert de spiegel in glinsterende scherven over de tegels.

“Je kunt ook te veel van een eenvoudige spiegel vragen,” zegt oma. “Maar ik denk dat ik hun plan nu begrijp. Alex als gninok. Willem Alexander de Koning. In Illys hechten we bijzonder veel waarde aan namen.” Ze sluit de deur achter zich. “Alex’ kamer graag. Ik heb een paar van zijn spullen nodig.”


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-16 show above.)