Excerpt for Het indigo van de dood by Patrick Brannigan, available in its entirety at Smashwords

Het indigo van de dood

Patrick Brannigan


Smashwords Edition

Copyright 2012 Patrick Brannigan

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

~


De vrouw danst in de tropennacht van Santo Domingo. Het gejank van een viool zweept haar op tot wilde wervelingen. Niet langer voel ik de rum die mijn keel brandt. Mijn blik volgt de welvingen van haar hals, borsten en heupen. Ze is gekleed in een jurk die meer de verbeelding prikkelt dan bedekking biedt. Iets trekt mijn blik naar haar, een kracht die sterker is dan pure wellust of de behoefte naar schoonheid in mijn grauwe leven. De lach op haar gezicht ontsteekt een vuur in mijn lendenen. Ze is wondermooi. Ze is de vleesgeworden begeerte.

Ik voel een por tussen mijn ribben en ruk mijn blik los van haar soepele bewegingen.

Siberius Zwartnagel kijkt mij lodderig aan en schudt zijn zware kop. ‘Zij is verboden terrein, kapitein. Daar zou ik mijn handen niet aan branden als ik u was.’ Hij staart naar zijn lege kroes. ‘Maria!’ Moeiteloos overstemt zijn geschreeuw de muziek, het lallen van de soldaten van het Spaanse garnizoen en het gebrul van de zeelui van de Terschelling. De serveerster sloft naar ons toe met een kruik in haar handen.

‘Ik ben Pier Dijkshoorn, kapitein van de Terschelling. Als een vrouw mij bevalt dan volg ik mijn begeerte.’ Ik laat mijn vuist neerkomen op de tafel. De kaarsen vallen om en doven. Maria heeft onze tafel bereikt en vult onze kroezen met rum.

‘Toch is deze vrouw ook voor u verboden. Ze is berucht. Iedereen in Santo Domingo weet dat de vrouw Brigitte niet aangeraakt mag worden.’ Verbaasd zie ik dat Zwartnagel een kruis slaat. Ik heb mijn luitenant niet eerder op devoot gedrag betrapt.

‘Kijk dan, kapitein!’ Zwartnagel maakt een weids gebaar naar de aanwezigen in de taveerne. Ik zie mijn eigen zeelieden en Spaanse soldaten in blauwe uniformen. Een Spaanse korporaal braakt op de met zaagsel bestrooide vloer, tot hilariteit van zijn kameraden. Bootsman Stortebeker staat in een duistere hoek tegen de muur geleund, met een kroes rum in zijn knuist, een grijns op zijn smoel en het hoofd van een temeier op kruishoogte. De rook van pijptabak is om te snijden, de geur van walmende kaarsen, verschraald bier en urine is schier ondraaglijk. Maar Brigitte wervelt ongestoord in het rond, een baken van schoonheid in een poel des verderfs.

Ik haal mijn schouders op en spuug in de richting van de kwispedoor. Ik snap niet wat mijn luitenant bedoelt. Zwartnagel bekijkt mij met een scheve grijns.

‘Geen van deze mannen schenkt haar meer dan een vluchtige blik, terwijl haar kleding weinig te raden overlaat. Hoe komt dat, denkt u? Omdat wij zulke beschaafde lieden zijn? Zonder wellust na onze zeereis vanaf Texel? Neen! Ze staat onder bescherming.’

Ik kijk nogmaals. De serveersters hebben moeite met het rondbrengen van rum en bier omdat ze voortdurend betast worden. Maar geen enkele man waagt het Brigitte aan te raken. Als zij naar de toog loopt voor een dronk, splijt een haag van mannen voor haar uiteen alsof ze besmet is met de pest. Zwartnagel kijkt mij triomfantelijk aan.

‘Van wie geniet zij dan wel bescherming, in dit hellegat? De duivel?’ vraag ik.

Het lijkt alsof ik de grijns van Zwartnagel met een zweep heb weggeveegd. Hij kijkt schichtig naar de donkerste hoeken van de taveerne. Is deze bange kerel dezelfde die een maand eerder onverschrokken het overvolle dek van een Barbarijse feloek enterde?

‘Spot daar niet mee, kapitein, ik bid u. Twee jaren geleden meerde ik af in deze haven, toen ik nog op de Eendragt voer. Ook toen danste Brigitte in deze taveerne. Onze timmerman, Joost Vaandrager, was gewaarschuwd. Toch raakte hij haar met de wijsvinger van zijn rechterhand aan.’ Zwartnagel heft bezwerend zijn eigen wijsvinger. ‘Hij was een dwaas die nergens in geloofde, zelfs niet in de Here. Hij vond het een goede grap en lachte de hele avond. De volgende ochtend sneed hij met zijn beitel zijn wijsvinger af. Toen lachte hij niet meer.’ Zwartnagel leegt zijn kroes en zet hem met een klap neer. ‘Er zijn krachten op deze eilanden die wij niet begrijpen. Het zal wel door al die slaven komen. Die vervloekte nikkers weten niet wat ze uit Afrika hebben meegenomen.’

‘U bent dronken, meneer Zwartnagel,’ grom ik. Ik houd niet van waarschuwingen. Mensen hebben mij altijd verteld wat onmogelijk was, totdat ik het tegendeel bewees. Niets is onmogelijk voor een weesjongen uit Harlingen die het tot kaperkapitein heeft geschopt. En de bijgelovige praatjes van mijn luitenant irriteren me. Het is duidelijk dat een bezorgde vader of een jaloerse echtgenoot een gerucht heeft verspreid om Brigitte te beschermen. Die timmerman? Ach, een wijsvinger is snel afgesneden, met een houten kop na een nacht vol jajem. Ik heb genoeg van Zwartnagels gezelschap. ‘Als de Terschelling overmorgen niet volledig bevoorraad is dan gaat u in de ijzers. Dus ik stel voor dat u uw hut opzoekt. Nu meteen.’

Op het gezicht van mijn luitenant flakkert eerst woede om het gezag dat ik hem opleg, daarna overheerst de angst om niet te gehoorzamen. Zwartnagel staat op, brengt zijn hand gewoontegetrouw naar zijn steek, wankelt achteruit en botst onbeholpen tegen een sergeant die een serveerster probeert te omhelzen. Bier en rum spettert in het rond. De sergeant laat een stroom Spaanse vloeken over zijn lippen rollen en geeft Zwartnagel een kaakslag die hem ruggelings over een tafel drapeert. De matrozen van de Terschelling springen brullend overeind.

Ik sla kreunend mijn handen voor mijn gezicht.

Een woest gevecht breekt uit tussen de bemanning van de Terschelling en de soldaten van het Spaanse garnizoen. Tafelpoten, flessen en kroezen vliegen door de taveerne. Ik zoek dekking achter een muurtje, sla mijn rum achterover en overzie binnensmonds vloekend het tafereel. Moet ik niet ingrijpen? Bitter schud ik mijn hoofd. Mijn bemanning zal niet luisteren, beneveld en krijgslustig als ze zijn.

Waar is de vrouw gebleven die de aanleiding was voor dit tumult? Daar zie ik haar! Ze drukt haar rug tegen de muur en kijkt pruilend naar het geweld dat haar omkolkt. Mijn wellust vermengt zich nu met mijn woede tot witheet lava dat onstuitbaar door mijn aderen stuwt. Als mijn bemanning het Spaanse garnizoen in het lazaret slaat dan mag ik blij zijn als de Terschelling alleen maar aan de ketting wordt gelegd. En zij pruilt, alsof iemand haar debutantenbal heeft afgezegd. Ik spring overeind en been op haar af.

Haar ogen flitsen naar mijn gezicht als ik nader. Ze fronst. Haar lippen verstrakken. Ik toren boven haar uit, staar naar haar gezicht. Ja, dit is de mooiste vrouw die ik in jaren heb gezien.

Ze zuigt verrast haar adem in als ik haar beetgrijp. Ze probeert zich los te rukken, maar ik houd haar onwrikbaar vast. Mijn jaren vóór de mast hebben mij een onuitputtelijke kracht geschonken. Haar jasmijngeur, haar geworstel en de zachte huid onder mijn vingers stookt mijn lust op tot ondraaglijke hoogte.

¡Estoy la madre maldito, capitán!’ gilt ze. ‘¡No me toques!’

‘Praat maar raak, heks,’ grauw ik. ‘Meekomen, jij.’ Ik sleur haar mee, de trap op. De gelagkamer is een draaikolk van geweld. Zwartnagel, bootsman Stortebeker en mijn matrozen drijven de soldaten met een eikenhouten tafel tegen de muur en slaan er met harde vuisten op los. Messen flikkeren in het halfduister, mannen gillen als speenvarkens, bloed vloeit.

Niemand let op ons, een kaperkapitein en het onwillige brandpunt van zijn begeerte. Ik trap een deur open, sleur Brigitte één van de slaapkamers in en duw haar op bed. Ik wil haar bezitten. Ik zal haar bezitten. De Here noch de duivel zal mij daar vanaf houden.


Nog voordat ik mijn ogen open voel ik dat deze ochtend anders is dan één van de voorgaande in mijn leven. Nee, niet anders. Slechter.

Het is niet de kater die mijn kop in tweeën splijt. Daar ben ik aan gewend. Een frisse zeebries is de beste remedie tegen de angel in de alcohol. Het is ook niet de misselijkheid in mijn pens, die niets voorstelt bij de zeeziekte die mij teisterde in een open sloep, op volle zee, in een vliegende storm. Ik huiver bij de herinnering aan de schipbreuk met de Vriesland die mij zo deed lijden, vijf jaren geleden, aan de andere kant van de oceaan.

Neen. Het is iets anders dat mij verontrust. Ik open mijn ogen en kijk om me heen. Ik lig op een bed in een bedompte slaapkamer, onder groezelige lakens. Fel middaglicht priemt door het venster op ronddwarrelende stofjes. In de taveerne heerst de stilte van het graf. Tot dusverre niets aan de hand.

Ik ben alleen. Ik herinner me dat Brigitte uiteindelijk snikkend is ontsnapt, nadat ik mij een derde maal aan haar had verlustigd. Herinneringen aan die nacht bestormen me: haar gegil, haar satijnen huid en mijn gevoel van overwinning toen zij zich tenslotte huilend aan mij overgaf. Ik grijns. Vergeten is mijn onrust. Mijn hand glijdt onder lakens, op zoek naar voldoening van mijn lust.

Ik ga snel overeind zitten, wat mij op een nieuwe golf van misselijkheid komt te staan. Ik weet nu wat er loos is.

Iedere dag van mijn volwassen leven werd ik ’s ochtends begroet door een fier saluut van mijn lid. Zelfs in de vrieskou van de Oostzee liet mijn mannelijkheid mij nooit in de steek. Ik zei altijd dat een echte man immer paraat staat. Dat een echte man hard als eikenhout is.

Ik ruk de lakens weg. In een warm bed, na een nacht vol verrukkingen met de begeerlijkste vrouw sinds jaren, zou mijn pik naar de hemel moeten wijzen als de grote mast van de Terschelling.

Tussen mijn benen ontwaar ik slechts een ineengekrompen worst. Een naaktslak. Ineengeklemd tussen verschrompelde ballen. Zowel mijn fluit als mijn zak hebben de kleur van indigo. De verkleuring reikt bijna tot aan mijn navel. Voorzichtig raak ik mezelf aan. Mijn mannelijkheid is gevoelloos. Ik zou net zo goed het laken kunnen aanraken.

Langzaam rollen de godslasteringen van mijn lippen.


‘Waar is ze?’ schreeuw ik. De punt van mijn hartsvanger prikt in de keel van de waard. Een druppel bloed welt op en valt op de vloer van de gelagkamer, die bezaaid ligt met snurkende gestalten.

‘¡No entiendo, capitán!’ De ogen van waard puilen uit zijn bolle hoofd.

‘Je begrijpt me donders goed, vuil zwijn!’ Ik schud de man door elkaar.

‘¿Dónde está la mujer?’ vraagt een schorre stem. Ik draai me om, langzaam als een beer die gestoord wordt bij het kaalvreten van een karkas. Ik steek mijn staal weg. De waard wankelt achteruit en betast zijn keel.

Zwartnagel heeft een beurse wang en zijn ogen staan op half zeven. Hij knikt me toe, duwt zijn gezicht tegen het smoel van de waard en herhaalt zijn vraag. De waard staart naar de vloer, brabbelt wat. Zwartnagel stelt nieuwe vragen. De Spanjool haalt zijn schouders op en fluistert antwoorden.

‘Hij zegt dat ze in het oerwoud woont. U had haar niet mogen aanraken.’ Zwartnagel fronst bedenkelijk.


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-6 show above.)