HET NET VAN DE VUURGOD
Sigurd Geiradssons Saga 1
door Tais Teng

Het Net van de Vuurgod Copyright 2012 Tais Teng
Omslagillustratie Copyright 2012 Tais Teng
eBook opmaak: Mike Jansen
ISBN: 978-1-4661-3636-6
Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl
Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.
Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net
No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Smashwords Edition, License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.
Inhoud
Deel 3: Dodemansnagels en maagdenhaar
Woordenlijst voor Sigurds wereld
Sterf niet oud en zwak
in je bed de strodood.
Zwaai liever gretig
het hongerig zwaard!
Alleen dan zal je
heerlijk Walhalla betreden
om eeuwig te vreten en zuipen met jolige helden!
De dode lafaard wacht
treurig Niflheim,
het kille nevelland
waar Helle heerst
en tranen en modder je drank en feestmaal zijn.
uit: De saga van Sigurd Geiradsson
1.
Noorwegen, 14 april 772:
"Even rust, mijn liefje." Loki tilde de loodzware manden met één hand van zijn muilezel en liet vervolgens zijn eigen ransel in het mos ploffen. Hij rekte zich uit. Nekwervels plopten alarmerend.
Ja, beslist de hoogste tijd om een hapje te eten, een moment weg te doezelen in de ochtendzon.
Hij had zes dagen en nachten onafgebroken doorgemarcheerd om de poort van de Onderwereld te bereiken. Ook al is het eelt onder hun zolen harder dan paardenhoeven, zelfs goden kunnen blaren onder hun voeten krijgen.
Loki zette zich op de dunne richel aan de rand van de afgrond en liet zijn benen in de leegte zwaaien. De diepte gaf hem een aangename kriebel in zijn onderbuik. Één verkeerde beweging en je smakte omlaag. Brak elk bot in je lijf.
Loki boog zich zo ver mogelijk naar voren. Pal onder zijn voeten, een halve kilometer dieper, lag een vissersdorpje. Veel was het niet. Een zestal huizen aan de monding van het fjord, twee sloepen die tot ver op de kiezels getrokken waren.
Grappig. De vorige keer was het strand nog verlaten geweest. Hij herinnerde zich een handvol verontwaardigd krijsende meeuwen, een dode zeehond die vredig aan de vloedlijn lag weg te rotten. Meer niet.
Mensen. Overal doken die lui de afgelopen eeuwen op. Mensen waren grappig.
Hij wreef zich bedachtzaam over zijn zorgvuldig geschoren kin. Echte mannen lieten hun baarden en snorren staan, wist Loki, hoe meer haar hoe beter. Alleen weke priesters uit het zuiden schoren zich. Slappelingen, die in de ogen van elke rechtgeaarde Viking om een stevig pak slaag vroegen.
Loki was dol op leugen en bedrog. Bijna even dol als op een stevige knokpartij. Als het even meezat, leidde dat al snel tot een prachtige bloedvete.
De beste manier om stennis te krijgen, was je een beetje verwijfd uitdossen.
Hij viste een rib met gedroogd vlees uit zijn ransel en kerfde er een royale krul af. Het gortdroge vlees geurde naar brandende boerderijen en doodsangst.
Andere goden zouden gekokhalsd hebben bij de gedachte aan zulk voedsel. Aanstellers.
Neem de oppergod Odin nu. Hoeveel lui werden er niet elke midzomernacht aan hem geofferd? Gewurgd met een boogpees en in het moeras gekieperd? Pure verspilling.
Loki streelde zijn magische riem van wolvenhuid. Met de Gordel van Surt kon hij zich moeiteloos in een wolf veranderen en in die gestalte had hij niets tegen mensenvlees. Waarom dan wel als hij op twee benen liep?
Geen herberg, constateerde Loki zodra hij het dorp binnenslenterde. Dat zou ook te veel gevraagd zijn. In dit soort gehuchten ontving de hoofdman alle reizigers. Zijn persoonlijke gasten. Al verwachten hij natuurlijk wel iets voor terug voor die gastvrijheid.
Uit een van plaggendaken rees een sliert rook op. Een hamer roffelde, viel na een hartgrondige vloek stil. De smid. Waarschijnlijk de enige man in het dorp terwijl de anderen op zee visten.
Loki zette zijn handen als een trechter aan zijn mond. "Odin zegene jullie! Ik ben een marskramer, geen bloeddorstige Viking! Jullie hoeven niet onder jullie netten weg te kruipen!"
Een belediging was de beste manier om het ijs te breken, vooral als je er breed bij grijnsde. Dan begrepen dit soort rauwe bonken meteen dat je een van hen was. Net zo'n hersenloos knorzwijn.
Het leren gordijn voor de smidse werd ratelend opzij getrokken.
"Wie noemt Karl Karlson een lafaard?"
Karl Karlson. Bewaar me, hoeveel generaties zouden alle zonen al Karl geheten hebben? Het was niet eens echte naam. Karl betekende zoveel als "vrije man", geen slaaf.
De smid was twee koppen groter dan Loki, zijn schouders zo breed dat hij maar net in de deuropening paste.
Door Karls aderen stroomt zo te zien meer dan één druppel trollenbloed, dacht Loki, of ik eet mijn eigen teennagels op.
"Was jij dat, garnaal?" rommelde de smid. "Met je vlammenrode haar en je sluwe vossenkop?"
"Geintje," zei Loki.
Vlammenrode haar en sluwe vossenkop. Niet slecht. De smid moest een helderder blik hebben dan hij zelf besefte. Voor het begin van zijn tocht had Loki zijn haar zorgvuldig zwart geverfd met kraaienbessensap.
De smid vouwde zijn massieve armen over elkaar. "Jij bent een marskramer beweerde je?"
Waarom de zuivere waarheid niet? dacht Loki. De waarheid is iets dat stervelingen zelden willen geloven of serieus nemen.
"Och, dat is maar een vermomming. In werkelijkheid ben ik Loki, de god van de leugens. Ja, die van broedermoord en bloederig bedrog. Ik reisde naar jullie dorp omdat de poort naar Niflheim hier vlakbij ligt. Ik verlang het Land van de Doden te bezoeken."
De smid deinsde terug. "Noem die naam nooit! De dood komt snel genoeg zonder op Haar poort te kloppen!"
Loki tuitte zijn lippen. "Mijn dochter Helle is daar koningin. Vanuit haar land kun je alle tijden overzien. Ik wilde Helle vragen mijn toekomst te voorspellen."
De smid staarde hem aan. Aarzelend brak een glimlach door, die al breder en breder werd tot al zijn hoekige tanden ontbloot werden. "Een grapje, ja? Je maakt een geintje?" Hij stootte een giechel uit die opvallend schril klonk voor zo'n boom van een kerel. "Ah, je bent niet alleen een koopman maar ook een prima verhalenverteller!" Hij gaf Loki een joviale stomp tegen de schouder die bij een sterfelijk man beslist tot bot en beenbreuk geleid had. "Wees mijn gast, Roodhaar Loki! Vertel ons over al je avonturen. Vertel ons over vissen zo groot als eilanden! Over zilveren zeemeeuwen die je naar de prinses van je dromen brengen!"
"Dat moet geen probleem zijn. Zorg dat mijn lippen vochtig blijven en ik giet gouden woorden in jullie oren."
De smid nam hem van top tot teen op, fronste wenkbrauwen die elkaar boven zijn neusbrug zo goed als raakten.
"Ik ken je ergens van. Kwam je hier niet eerder langs, een jaar of acht geleden?"
"Huhm," zei Loki. Meer was niet nodig.
Mooi zo. Hij begint me al te herkennen.
Dit was een van Loki's grootste talenten. Het vermogen om bekend voor te komen. Wie hem zag, vertrouwde hem ogenblikkelijk. Zijn slachtoffers vulden de details gewoonlijk zelf gretig in.
"Och ja natuurlijk." De peinzende blik van de smid klaarde op. "Je bent de achterneef van Halfrid Berenwurger!"
"Als jij het zegt."
De smid stompte hem opnieuw tegen zijn arm. "Elk familielid van die goeie oude Halfrid is hier welkom. Meer dan welkom!"
2.
De zon zakte omlaag, tikte de hopsende horizon aan.
Loki hurkte naast de smid op een omgevallen zuil basalt die tot halverwege de branding reikte. Heel de zee leek met deinende goudstukken belegd.
"Onze vissersboten," wees de smid met de tang waarmee hij een haaienhaak aan het bijbuigen was.
Nu merkte Loki de povere vloot ook op: vijf zeilen, bloedrood in het lage zonlicht.
Onder een ritmisch "Hey hah! hey hah!" trokken de vissers even later de kielen van hun boten over het kiezelstrand. Het ratelen van de stenen klonk Loki aangenaam in de oren: knappende ribben, het onmachtig knarsen van trollenkiezen.
"Hoe noemen jullie de zee hier?" vroeg Loki aan de smid.
"De Weduwmaker," somde de smid op, "de Mannenverslinder, het Maagdenverdriet. Heeft de zee andere namen dan in jouw land?"
"Honderden. Ymirs pis bijvoorbeeld."
"Dat is een goede! Volgens de saga's was de zee het bloed van de eerste god. Pis is beter."
Loki zocht de einder af. Schemering was het magische moment van de dag, het ogenblik dat tover het sterkst werd en de wereld van de mensen bijna wegdrukte.
De hemel kleurde groen als een keverschild, trok diep paars weg. Yggdrasill stolde geruisloos uit de schemering en vulde de hemel.
"Daar." Loki stootte de smid aan. "Zie je haar?" Schoonheid is iets dat je niet kunt oppotten. Schoonheid delen maakt haar enkel groter. "Kijk omhoog, man!"
Loki zag de Wereldboom niet langer dan een hartenklop, maar haar schoonheid deed hem duizelen. Zo hoog, zo eindeloos hoog, tienduizend mijlen en wijd als de wereld.
Yggdrasill was de es die alles dat bestond bij elkaar hield: Hemel, Aarde en Onderwereld. Haar takken haakten zich in de sterren vast en haar wortels boorden zich in Niflheim, het Land der Doden.
"Zie je wát?" vroeg de smid.
De Wereldboom vervaagde en Loki wendde zijn blik af. Jammer. De smid was toch te menselijk geweest. Hij had niet genoeg trollenbloed om werkelijk te zíén.
"Laat maar. Ik hoop dat jullie zee een beetje gul was vandaag. Mijn maag rommelt als een onweer."
"Wees niet bang. Drank is er in ieder geval genoeg."
Loki werkte drie geblakerde vissen naar binnen, brak hompen zwart zuurdesembrood af. Hij zong raadselliederen, de "kenningen" waar de mannen van het noorden zo dol op zijn. Hij roddelde over koningen die al duizend jaar dood waren of nooit bestaan hadden.
"Nu is het tijd om serieus te drinken!" brulde de smid zodra hij de laatste kabeljauwkop in het vuur gemikt had. Loki's gastheer goot een holle koeienhoorn tot de rand vol mede en duwde hem klotsend in Loki's handen. "In één teug mijn vriend!"
"Dat mag ik wel," zei Loki. "Een gastheer die van schenken weet."
Mede werd van gegiste honing gebrouwen en was behoorlijk koppig.
Hij woog de gevulde hoorn op zijn hand. Vier liter mede zeker, schatte hij, misschien wel vijf. Karl wil me dronken voeren. Als ik dan ruzie zoek, mogen ze me naar eer en geweten de hersens inslaan en mijn handelswaar inpikken.
"Drinken jullie mede in jullie dorpen ook uit hoorns?" vroeg de smid.
"Zeker. Het grappige is dat een koeienhoorn geen voet heeft. Niets om hem neer te zetten. Je moet dus blijven doordrinken."
Hij had de enige hoorn in het gezelschap zag Loki. De anderen dronken uit aardewerken kroezen.
Karl Karlson moest eens weten.
Loki herinnerde zich het feest in het land van de ijsreuzen. Hij en de andere goden moesten Thors hamer terugstelen en het was erg belangrijk dat ze bij de reuzen niet als dauwdruppellikkers of muizenkeutelknabbelaars overkwamen.
Daar waren de drinkhoorns van gigantenkoeien afkomstig geweest: elke hoorn wijd genoeg om een schip naar binnen te roeien. De vissen die op de ijzeren roosters sisten waren orka's. Of, voor de echte trek, potvissen.
Loki legde de hoorn op de bank naast zich, leeg.
"U weet van drinken, heer." De slavin klom prompt op zijn schoot en draaide een van Loki's lokken om haar wijsvinger. "Waarom noemt mijn meester je steeds Roodhaar, vreemdeling? Uw haar is zo zwart als de nacht."
"Een geintje. Net als de naam Loki. Ik werkelijkheid heet ik Fenrisvattir."
"Maar dat betekent Vader van de wolf. Dat is gewoon een van Loki's andere namen!"
"Slim meisje. Jij kent de oude verhalen blijkbaar goed."
"Loptr, Thok, Farbautison," fluisterde ze in zijn oor. Al Loki's geheime namen die alleen de goden of de knapste zangers kenden. "Ik weet wie je werkelijk bent en ik zal je niet verraden." Ze gebaarde naar de joelende dorpelingen. "Ik haat ze, Loki. Ik was de dochter van een jarl, van de hoge graaf van Gittaland zelf. Voor de rovers mij ontvoerden. Ik ken alle vierentwintig runentekens. Mijn meester kan zijn eigen naam niet eens schrijven!"
"Haat is een mooie emotie. Minder breekbaar dan liefde. Ah, haat bouwt huizen als kastelen!"
"Ik heet Sigyn. Ga je ze allemaal vermoorden?"
"Naar het me uitkomt. Ik ben niet van plan persoonlijk een vinger uit te steken. Eigenlijk heb ik maar één dode nodig. Als gids naar Niflheim."
"Neem je me mee? Later?"
"Vertel me eerst wie hier van gokken houden. En wie waarschijnlijk vals gaat spelen als het om erg veel goud gaat. Hij hoeft niet echt vals te spelen. Zolang de anderen hem maar verdenken."
"Ze zitten te dobbelen," deelde Sigyn hem een hoorn mede later mede. "Achterin, bij het licht van het haardvuur." Ze gaf een ruk met haar hoofd die haar lange blonde vlecht liet zwiepen. "Jud, die kerel zonder linkeroor, heeft een vossenziel. Denkt hij. Hij is eerder onbetrouwbaar dan sluw."
"Bedankt, Sigyn." Loki slenterde naar het vuur.
Ze dobbelden met vergeelde knokkelbeentjes. Vikings gebruikten bij voorkeur de knekels van een verslagen vijand als stenen. Al waren de botjes van een dode slaaf ook bruikbaar bij gebrek aan beter.
"Wat voeren jullie daar uit? Een of ander spel?"
Jud keek op. "We noemen het Graai de Meeuwen, Roodhaar. Even eenvoudig als het pellen van een ui. Ik kan het je zo leren."
"Waarom ook niet?" Loki veegde de bruine graten met een voet opzij en liet zich op de lemen vloer zakken. Visschubben glommen als rode sterretjes tussen de spaarzame strootjes. Karl Karlson had al maanden geen vers riet gespreid.
"Als je om geld speelt, leer je het snelst," verklaarde Jud. "Heb je koperstukken? Of desnoods loodjes?"
"Nee, sorry. Geen koper. Zijn zilverstukken ook goed?"
Een van de mannen gniffelde. "Ook goed! We..."
Jud dreef hem een elleboog in zijn nieren en hij viel stil met een ontzette gak.
"Voor deze keer dan, Roodhaar. Al kunnen we hier weinig met zilver beginnen. We rekenen vier koperstukken voor elk zilverstuk, goed?"
"Jullie zullen de regels wel kennen."
Vier voor één was ongeveer een vijfde van de gebruikelijke waarde.
Twee uur later stond er voor elk van de mannen een ferme stapel zilverstukken. Elk stapeltje was ongetwijfeld meer kapitaal dan in de hele rest van het dorp te vinden was.
Hebzucht laat een man de ogen uit de kassen rollen, overwoog Loki. Waarom vond niemand het vreemd dat een eenvoudige marskramer met zilverstukken kon strooien? Met zoveel geld had hij nooit een marskramer hoeven blijven.
"Toch een moeilijker spel dan het leek," zuchtte Loki terwijl hij twee nieuwe zilverstukken in de gokkerscirkel legde.
Sigyn sloeg haar armen om zijn hals en wreef haar wang tegen zijn nek. "Waarom verlies je?" fluisterde ze. "Ah, het is natuurlijk elfenzilver! Je munten veranderen in kiezels en dorre bladeren zodra de haan kraait?"
"Het zilver is echt. Ze zijn nu rijker dan ze ooit gedroomd hadden, Sigyn. Nu hebben ze werkelijk iets te verliezen." Met zijn lange linkernagel kraste hij een spiraal van runentekens in de vloer. "Een kleine bezwering om onze vriend Jud te helpen."
Sigyn las over zijn schouder mee. "Juds volledige naam, de rune Feoh voor rijkdom, Ken voor vuur. Wat vast een van je geheime namen is. Is magie echt zo eenvoudig?"
Loki schudde zijn hoofd. "Alleen als een god de runen trekt."
In minder dan een half uur stak Juds stapel zilver zeker een handbreedte boven die van de anderen uit. Elke tweede worp leek hem een zes op te leveren.
Dit dorpse dobbelspel was zeldzaam eenvoudig: wie gooit het hoogste getal? Meer dan een gestage stroom zessen was er niet nodig om te winnen.
"Mijn beurt al weer?" Juds tanden blikkerden alsof ze zelf in zilver veranderd waren. "Gaan we." Hij rolde de knokkelbeentjes.
"Ah, een zes en een vijf!"
Loki pakte een van de dobbelstenen op.
"Hé, Roodhaar," protesteerde Jud. "Jij bent nog niet aan de beurt!"
"Grappig," zei Loki en weerde Juds graaiende hand af. Hij draaide het knokkelbeentje tussen duim en wijsvinger. "Blijkbaar heb ik dit spel toch niet helemaal goed begrepen. Of hoort het dat er aan alle kanten zes stippen staan?"
Een doodse stilte volgde op zijn woorden.
"Jij vale marter!" Een van de dobbelaars sprong op en greep Jud bij de keel. "Mijn kostelijke zilverstukken! Geef ze terug, valsspeler!"
Jud brak zijn greep met een stomp onder zijn borstbeen. "Klets geen onzin, Helgi! Ik ruk je tong uit als je zulke leugens uitslaat!"
"Naar buiten!" De smid sleurde de twee mannen aan hun ellebogen door de zaal en rukte het gordijn open. "Geen bloed op mijn stro!" Eén zwaai en ze tuimelden de nacht in. Karl Karlson zette zijn handen op zijn heupen. "Kruip terug als jullie niet langer dronken zijn."
3.
Loki liet zich een derde hoorn mede inschenken.
"Daar heb je Helgi," zei Sigyn. "Zo te zien heeft hij niet gewonnen."
Loki knikte. "Een bloedende lip, twee voortanden minder. Helgi heeft inderdaad niet gewonnen."
Hij knipte met zijn vingers naar het vuur. Twee vlammen maakte zich los en fladderden rond als vurige vlinders. Twee keer schreven ze de runen van Loki's naam voor ze in de gloeiende houtblokken terugzakten.
"Nu schuifelt hij naar zijn broer Thorstein," vervolgde Sigyn die niets van zijn vlammenspel gezien had. "Wacht, hij fluistert iets in zijn oor. Thorstein is beste vechter van het dorp. Een echte berserker. Zo eentje die eigenhandig wolven wurgt en schuimbekkend in de rand van zijn schild bijt. Niet half zo sterk als Karl, maar veel gemener."
"Vertel verder. Ik ben een en al oor."
"Nu sluipen ze allebei naar buiten. Nadat ze goed rond gegluurd hebben of niemand op hen lette. Mij merkten ze niet op. Een slavin is onzichtbaar."
Het duurde langer dan Loki had verwacht: bijna een vol uur.
De smid kwam naast hem zitten.
"Weet je soms iets van heelkunde af, Roodhaar? Meer in het bijzonder van gapende wonden waaruit het levensbloed gretig wegvloeit?"
"Ik kan ze dichtnaaien. In mijn ransel zit een mooi stel bronzen naalden en een rol vlasdraad. Of het helpt?" Hij stond op. "Wie is de gelukkige?"
"Jud Gellersson. De man waarmee je zat dobbelen." Zijn gezicht betrok. "Drie steken in de rug. De wonden van een lafaard."
Loki begreep Karls afkeer. Een moord was niets om je bijzonder druk over te maken. Verkeerd sterven, als een lafaard, was echter zeldzaam stom.
"Waar ligt hij?"
"In zijn eigen hut. Zijn vrouw vond hem reutelend in het voorportaal. Met een handvol zilverstukken in zijn mond gepropt."
De man lag te kreunen op een matras van zeehondenbont die tot op het grauwe leer afgesleten was.
"Jij..." Pijn en doodsangst hadden Jud de stekende blik van een sjamaan gegeven. Vol wijsheid waaraan hij nu weinig meer had. "Ik weet wie je bent. Wát je bent. Oom Vos, noem ik je, Vader van de Wolf. Ik, ik speelde niet eens vals!"
"Natuurlijk niet. Het was een van mijn eigen dobbelstenen." Loki grinnikte. "Maar je speelde tegen mij. Dat was een stuk riskanter dan vals spelen."
"Jij... Ik ben niet bang om te sterven!" Jud kwam half overeind. Hij hoestte: bloeddruppels sproeiden van zijn lippen. "Ik ontmoet je in Walhalla, leugenaar. Met een gloednieuw zwaard, ja. Snij je oren af. Land van de onsterfelijke helden. Waar wij helden voor eeuwig strijden en zuipen. Alle vrouwen maagden zijn!"
"Het spijt me. Walhalla is niet de juiste plaats voor je. Je stierf niet in de strijd, Jud, niet als held. In je bed ga je sterven, over een hartenklop op tien. De strodood, met de wonden van een lafaard." Loki schudde droevig zijn hoofd. "Niflheim wordt het, waar de zwakken en lafaards eindigen."
"Waarom? Waarom ik?"
Maar weinig stervenden krijgen antwoord op die vraag, dacht Loki. Jud boft.
"Ik had verhalen over dit dorp gehoord. Niflheim ligt hier zij aan zij met de mensenwereld. Zo dichtbij dat een levende mens naar binnen kan glippen zodra Niflheim haar poort opent om een ziel op te nemen. Ik had een gids nodig en jij leek me geschikt."
Hij zag Juds laatste adem als een dwaallicht uit zijn neusgaten glippen. Juds schim stond op, hoewel zijn lichaam met weggedraaide ogen op het bed bleef liggen.
"Mooi zo," fluisterde Loki en hij greep de hand van de schim stevig vast.
De vingers voelden als aangespoelde kwallen, glibberig en stroef tegelijk en geheel en al levenloos. "Waarheen nu, Jud? Wijs me de weg naar het land van mijn dochter."
Hij zag dat smid en Juds vrouw tot standbeelden verstard waren. Alleen hij, Loki, woonde in die laatste, eindeloos uitgerekte seconde van Juds dood.
De schim tikte de muur van twijgen en aangesmeerde klei aan: een stenen poort zwaaide open.
De poort leek aanzienlijk hoger dan de Juds hut, meters hoger, maar paste er toch moeiteloos in.
4.
Met een geluid als kreukelend perkament ontrolde Niflheim zich voor Loki. Het was een ellendig oord: slierten van ijzige mist, duistere poelen waarover een kantwerk van ijsnaaldjes lag. De hemel hing laag en grauw, een hemel als een putdeksel van puimsteen.
Ondanks de bijtende kilte deed de stank van rottend vlees en vermolmde botten hem naar adem happen.
Nergens een spoor van kleur: alles was grijs en wit en zwart.
"Dit is Niflheim, Loki?" sprak een stem vlak achter zijn rug.
Loki draaide zich met een ruk om en keek in recht in Sigyns gezicht. Haar grijze ogen fonkelden, op haar bleke wangen gloeiden blosjes van opwinding.
"Idiote! Waarom ben je me gevolgd? Dit is het land van de doden, Sigyn! Voor levenden is er geen weg terug."
"Jij beloofde me met je mee te nemen."
"Ja, later. Niet nu, dwaze vrouw!"
"Goden hebben vaak een verdraaid slecht geheugen als het op beloftes aankomt."
"Allemachtig, vind ik eindelijk een vrouw met een beetje verstand en een aangename wraaklust, pleegt ze prompt zelfmoord!"
"Ik ben nog niet dood, Vader van de Wolven."
Loki slaakte een zucht die uit zijn teennagels leek te komen. "Ik zal proberen dat zo te houden."
De rivier die door Niflheim stroomde, was breed als een oceaan en stonk naar zout en verdriet. Volgens de legenden werd ze gevoed door de tranen van weduwen en misleide maagden: ze zou dus nooit droogvallen.
Juds schim ging hen voor naar een vlot van beenderen en hees een zeil van doorzichtige mensenhuid.
"Koud." Sigyn drukte zich tegen Loki's borst aan. "Zo koud."
Loki woelde door Sigyns haar dat glinsterde van de rijp. "Daar kan gelukkig iets aan gedaan worden. In het gezelschap van de vuurgod hoeft niemand kou te lijden."
Hij klapte in zijn handen. Aan weerszijden van het vlot vlamde een vuurbol op. Een vlaag van warmte streek over het vlot.
"Beter zo." Sigyn slaakte een zucht van welbehagen. "Waar gaan we heen, Loki?"
"Er schijnt een waakhond te zijn. Garm. Als hij blaft, galmt het door tot in de Vier Hoeken van de Wereld en valt de donder angstig stil. Zijn tanden bijten dwars door Damasceens staal. Uit zijn muil druipt sissend gif."
"Is het soms weer een van jouw eigen zonen? Net als de wolf Fenris of de Midgardslang?"
"Och, ik wil niet opscheppen... Maar dat is niet bepaald een voordeel. Ik heb niet zo'n beste relatie met mijn kinderen."
"Dat klopt, vader."
De jonge vrouw stond zo licht op het water dat er niet eens kringen over het slijmerig oppervlak rimpelden.
"Is dat Helle?" Sigyn klonk stomverbaasd. "Maar ze is beeldschoon! In alle saga's is ze een levende dode, het wandelende lijk van een stokoude heks!"
"Ik hoef niets meer te bewijzen, vrouw," zei Helle en ze liet haar zilveren haren zwieren. "Mijn Niflheim is het land van de wanhoop, de plaats van gemiste kansen. Waar nooit, nooit meer iets zal gebeuren." Ze spuwde in de trage rivier en aaide over de kop van het schoothondje in haar armen. "Mijn waardeloze doden verdienen geen troon van beenderen of grommende monsters."
"Dag, papa," zei Loki in een goede imitatie van haar stem. "Wat leuk dat u eens een keer op bezoek komt."
Helle schoot in de lach. "Ik zal toehappen als een onnozele zalm. Wat kom je hier uitvoeren, vader van de leugens?" Ze stak haar kin naar voren. "En waag het niet om tegen míj te liegen!" Ze veegde een druppel zweet van haar voorhoofd. "Moet het hier trouwens zo onzinnig heet zijn?"
Loki doofde de vuurbollen met een vingerknip en de kilte van Niflheim vloeide opnieuw uit over het vlot.
"Ik nam een maand geleden mijn runensteen op, Helle mijn dochter. Mijn steen heeft vierentwintig zijden en op elke kant is een magische rune in gekerfd.
'Vertel mij wat mij de toekomst zal brengen!' beval ik en wierp mijn steen. Hij rolde door de modder en liet een spoor van runen in de vochtige klei achter. Deze woorden las ik:
'De goden zullen verwaaien als rook in de wind
Heersen zal de vrije man met zwaard en kruis.'
Toen ik de steen opnieuw wierp, bleef hij steeds dezelfde runen afdrukken: 'Geen toekomst'."
"En je hoopte dat ik een scherpere blik zou hebben, vader?"
"In het land der doden is alles voorbij. Geen verleden of toekomst meer. Ze zeggen dat de machtige Helle alle tijden van hieruit kan overzien. Als van een hoge toren."
"Daar hebben ze gelijk in." Helles ogen draaiden omhoog tot enkel het oogwit overbleef.
"Er zal een vrije man opstaan," zong ze met een afschuwelijke stem, schril als het krijsen van een kikker in de bek van een lynx. "Nee, geen vrije man, geen 'karl'. Karel is zijn naam. Karel de Grote, zoon van Pepijn. Met zwaard en kruis zal hij heel de wereld veroveren. Hij zal hoge tempels oprichten voor zijn Witte Christus. Alle oude goden vernietigen. Ai, ze zullen verwaaien als rook in de wind!"
"Verwaaien als rook!" Loki klakte met zijn tong van ergernis. "Odins baard! Dat is toch geen fatsoenlijke manier van sterven? Ik wil ten onder gaan met mijn zwaard in de buik van mijn vijand en zijn tanden in mijn nek!"
Helles ogen draaiden terug. "Een voorspelling is een voorspelling. Dit is wat ik zag."
"Nu ja, een gewaarschuwd man telt voor twee. Gelukkig zijn helden als die Karel Pepijnsson nog altijd sterfelijk. Eén druppel slangengif in Karels wijn... Tijdig aangekondigde rampen kunnen vaak voorkomen worden."
"Deze voorspelling is onwrikbaar!" Helle klonk bijna beledigd. "Dit is een profetie! Dwingend noodlot!" Haar ogen draaiden automatisch omhoog en weer kreeg haar stem die afschuwelijk snerpende klank. "Eerder nog zal de Yggdrasill omgehakt worden! Ja, en de hemel op aarde neerstorten, dan dat deze profetie niet uitkomt!"
"Goed dat te weten. De wereldboom omhakken..." Loki wreef zich over zijn kin, waar de eerste baardstoppels al begonnen op te komen.
Sigyn staarde hem aan. "Dat kun je niet menen? Dat is het einde van de wereld!"
"Het einde van de wereld wordt vaak te serieus..."
Helle stapte naar voren en legde een sneeuwwitte hand op Sigyns pols. Haar nagels waren volmaakt roze schelpjes. "Wist je trouwens dat deze vrouw je ware geliefde is, vader? De enige vrouw waarmee je ooit gelukkig kunt worden?"
Loki glimlachte. "Ze heeft inderdaad iets heerlijk fels en haatdragends. Dat viel me bij de eerste blik al op."
Helle sloeg een arm om Sigyns middel en deed een stap achteruit. Een magische stap, want ze stond ineens op de oever, ruim dertig meter verder.
"We hebben het nog niet over de betaling van mijn profetie gehad," zei Helle. "Welnu, jouw Sigyn is mijn prijs. Zij blijft hier."
"Ik denk het niet, dochter." Loki tikte de punt van zijn dolk aan en het wapen verlengde zich tot een vlammend zwaard. Het water siste en werd stoom zodra zijn voetzolen de rivier raakten.
"Laat haar gaan, Helle. Of ik smelt de poorten van je Niflheim tot lava!" Een dozijn vuurbollen welden uit de punt van zijn zwaard en doken als haviken op de koningin van de onderwereld af.
"Garm!" krijste Helle terwijl ze met haar vrije hand een vuurbol wegsloeg. "Pak hem!"
Het schoothondje sprong van haar schouder en blafte.
Het was een geluid om het hart van de meest onverschrokken helden te stoppen en de trommelvliezen van een trol te knappen. Zo onverdraaglijk luid dat het van de maanschijf zelf moest weerkaatsen.
Toen Loki de handen van zijn bloedende oren liet zakken en zijn ogen opende, versperde de hellehond Garm hem de weg. Het monster was zo hoog als een grafheuvel, elk haar van zijn vacht zo dik als een mannenpols. Van zijn gele tanden droop gif.
Volgens skalden en wijze mannen die zulke zaken kunnen weten, was Garm zo goed als onkwetsbaar. Enkel Heimdalls magische zwaard zou hem kunnen doden, aan het einde der tijden, en zelfs dan nog zou de god die overwinning met zijn eigen leven moeten bekopen.
Loki geloofde niet in roekeloze dapperheid. Zulke onzin heeft niets grappigs of elegants. Bovendien hadden vrouwen bijzonder weinig aan een dappere, maar totaal verscheurde echtgenoot.
"Sigyn?" riep hij. "Ik kom terug. Spoedig."
Hij hoorde haar antwoord niet omdat Helles honende lach alles overstemde. "Hak je boom om, papa. Breng me een twijg en je krijgt mijn stiefmoeder terug! Ja, een blad van de Yggdrasill. Dat zal de enige sleutel zijn die de poort van Niflheim voor je kan openen."
"Helle. Laten we hierover praten als..."
De rivier stroomde verlaten onder de grijze, grijze hemel. Geen monsterhond, geen dochter of geliefde meer.
5.
Loki draaide zich naar Juds schim. "Leg aan, mijn vriend. Ik wandel terug naar het land der levenden." Voor het eerst keerde een fractie van bewustzijn terug in de ogen van de schim. Een sputterend vonkje van leedvermaak. Met zoemende stem sprak de schim:
"In droef Niflheim leidt elk pad omlaag
dieper de duisternis in niet één naar het licht
of je achteloos vergooide leven, vader der leugens."
"Maak je over mij maar geen zorgen," zei Loki. "Ik sta bekend om mijn feilloze richtinggevoel. Zelfs trekvogels vragen mij de weg."
Hij zette af en landde in een bos riet dat zo verdord was dat het prompt tot stof verstoof.
Er was geen zon, geen maan, geen sterren en elke richting leek hetzelfde. Toch bestonden er herkenningspunten. Zoals die vermolmde wilg waarin een schim in een laatste opwelling van kwaadaardigheid "Yngvi is een luis!" gekrast had.
Hoogst hinderlijk. Het was nu al de vijfde keer dat hij de wilg passeerde, hoewel hij beslist in een kaarsrechte lijn gelopen had.
"Zaad zoekt licht."
Sigyns stem? Of verbeeldde hij het zich maar?
Elke keer dat hij zijn ogen sloot, dreef haar gezicht omhoog. Zulke prachtig vonkend grijze ogen. De welving van haar lippen. Wild als een wolf, haar rug recht en trots als een pas gesmeed zwaard.
"Sigyn?" Hij kende haar amper, maar hij miste haar nu al vreselijk. Het ging diep en kon onmogelijk genegeerd worden. De jeukende leegte die een afgehakte hand achterlaat.
"Elk ontspruitend zaadje weet de weg omhoog."
Het was vast niet meer dan verbeelding, dan zijn verlangen naar Sigyn. Maar dat hij zich haar stem verbeeldde, hield nog niet in dat Sigyn onzin uitkraamde...
Loki vond het gierstezaadje uiteindelijk in de voering van zijn geldbuidel. Hij schraapte stof uit de naden van zijn mantel, spuwde op het zaadje en tekende de runen voor "geboorte" op zijn handpalm. "Groei!"
Een draadje groen kronkelde omhoog, ontvouwde twee blaadjes. De zaailing draaide om zijn as en boog toen naar rechts.
"Bedankt, Sigyn," fluisterde hij. "Bedankt, mijn geliefde."
In Niflheim bestonden geen toekomst en verleden meer. Tijd echter wel. Elke seconde woog loodzwaar van verveling, elke minuut sjokte als een muilezel door drijfzand.
Loki zong alle liederen die hij ooit gehoord had, probeerde zich elke grap en streek te herinneren. Met een doffe bons knalde zijn voorhoofd tegen een lemen muur aan. Hij stortte voorover de poort door, rolde over de vloer van Juds hut.
Toen hij overeind krabbelde, kwamen de standbeelden van Karl Karlsson en Juds vrouw met een schok tot leven.
"Hij is dood, Roodhaar?" vroeg Karl.
Op Loki's afwezige hoofdknikje barstte Juds weduwe in een jammerklacht uit.
Loki's blik flitste door de hut. Geen spoor van zijn geliefde.
Toch deed Loki een laatste poging. Het kon zijn dat alleen haar schim hem gevolgd was, dat Sigyn net naar buiten gekropen was.
"Waar is Sigyn gebleven? De slavin die met ons meeliep?"
"Sigyn?" Karl Karlsson krabde door zijn baard, knakte een vlo tussen zijn nagels. "Heb geen slavin met die naam."
Loki drong niet aan. Wat Helle neemt, grijpt ze met beide handen. In het land van de zon had ze zelfs geen herinnering aan Sigyn meer achtergelaten.
In de ochtend dolven de dorpelingen een diepe kuil, stapelden rotsblokken op.
"Gebruik de zwaarste stenen," spoorde Karl hen aan. "Het zijn vaak juist de lafaards die terugkomen en hongerig uit hun graf kruipen."
"Deze dode niet vermoed ik," mompelde Loki.
Hij opende zijn buidel en legde een stapel goudstukken op de bovenste steen. "Dit bedrag was ik Jud nog schuldig. Van het dobbelen."
Hij zag hun ogen aan de goudstukken vastkleven, als bromvliegen die op het net van een spin neerstrijken.
" 'Wreek mij,' waren Juds laatste woorden." Hij knikte naar Karl. "Dit goud komt de man toe die de moordenaar van Jud doodt. Jij, Karl Karlson, bent een eerlijk man. Jou stel ik aan als geldbewaarder."
"Maar..." Een drietal emoties flakkerden over Karls gezicht, geen van alle erg verheffend. "Goed." Onbewust tastten zijn vingers al naar zijn dolk.
Loki hees zijn ransel op zijn rug, floot zijn muilezel.
"Tot over een paar jaar dan maar weer."
Aan de rand van de zee zette Loki zich op een aangespoelde boomstronk en sloot zijn ogen.
"Is dit het soort wraak dat je in gedachten had, Sigyn? Ik weet hoe bloedwraak werkt in kleine dorpen. Zeker met een handvol goud als specerij. Over een half jaar zal zeker de helft van de mannen elkaar vermoord hebben."
Ze verscheen niet aan hem, sprak geen spookwoorden uit haar verre Niflheim, maar hij kon haar plezier voelen, haar dankbaarheid.
"Aan het werk dan maar." Hij peuterde de runensteen met de vierentwintig zijden uit zijn riem en zocht een strook slik op.
"Vertel me hoe ik de Yggdrasill moet neerhalen."
Loki wierp de steen.
"Zoek Sigurd Geiradsson," stempelden de runen in het slijk. "Van Negen Makrelendorp."
Prima. Hij had zijn oude kracht, zin eigen magie terug. De runen hadden het niet langer over "Geen toekomst".
"Waarom moet ik hem zoeken?" vroeg hij en wierp de steen opnieuw.
Deze keer rolde de steen een heel eind verder door. "Alleen hij kan je naar de wereldboom leiden."
Loki pakte de steen op, veegde het slik aan zijn mantel af. "Goed, Sigurd Geiradsson, Jij zult dus mijn jachthond worden."
De skald noemt de hemel zijn strodak.
Geen haardvuur geen zorgzame echtgenote.
Waarom zou hij ze missen?
Alle meisjes maken ronde hertenogen naar hem!
Jarls en koningen noemen hem vriend!
Uit: Sigurd Geiradssons saga
1.
Sigurd had een rustig plekje uitgezocht, bij de omgevallen beuk naast de bron. Zo vroeg op de ochtend kwam niemand water putten en kon hij mooi Hafgrims nieuwe ballade oefenen.
Sigurds crwth was een behoorlijk gecompliceerd instrument: twee snaren om aan te strijken, vier om met een haaientand op te tokkelen.
"Ook een goede morgen, Sigurd de dromer."
Sigurd Geiradsson schoot overeind en zijn nagels schampten over de snaren van zijn crwth. Het muziekinstrument gaf de geschokte krijs van een pauw, die over zijn eigen staartveren struikelt.
"Eh, had je het tegen mij?"
"Heten hier nog andere jongens Sigurd dan?" Kirsten streek een hand door haar lange haar, hield haar hoofd scheef. Kirstens lokken waren zwart. Ravenzwart bijna, maar er was die speciale glans.
Misschien het duistere blauw van het onpeilbaar diepe water voor de boeg van je boot? Als je eigenlijk al te ver de zee op was gevaren?
Vreemd dat ik dat niet eerder opgemerkt heb. Skalds horen op zulke details te letten.
"Zit je hier weer een beetje te pingelen?"
"Niks te pingelen! Oom Hafgrim laat me de snaren roffelen tot mijn vingertoppen bloeden."
Hij kwam overeind. Met een schokje van verbazing realiseerde hij zich dat hij nu op Kirstens kruin neerkeek. Hij was een half hoofd groter: voor het eerst sinds jaren stak een meisje niet boven hem uit.
"Ga weer zitten," zei Kirsten en gaf zelf het goede voorbeeld. "Ik maakte maar een grapje. Ik vind het juist leuk om naar je muziek te luisteren."
"Volgens oom Hafgrim krassen kraaien melodieuzer."
"Je doet het al heel aardig. Voor een leerling dan." Ze legde een hand op arm en zijn vel leek op die plek ineens gloeiend heet te worden. Hij zou zijn arm het liefst weggerukt hebben. Tegelijkertijd was dat ook het laatste wat hij wilde.
"Speel een liedje voor me, o grote skald."
Wat is dit voor onzin? Waarom voelt het alsof de bodem uit mijn buik valt? Dit is Kirsten maar! Ik ken haar al mijn hele leven.
"Welk..." Zijn stem klonk een beetje hees. Absoluut niet als de stem van een zanger. "Welk liedje?"
"Zing over Frey voor me. Hoe hij de reuzendochter zag en ziek van verlangen werd."
Getver, zo'n kwijllied waar meisjes dol op waren. Er werd amper in gevochten, alleen wat gedreigd door Freys knecht. Nu ja, het waren Kirstens oren.
Sigurd nam zijn muziekinstrument op. Jammer genoeg lag zijn strijkstok nog thuis in zijn kist: nu kon hij enkel tokkelen. "Goed, daar komt hij dan."
"Trek eerst je benen op," zei Kirsten. "Dan kan ik tegen je knieën aanleunen."
Sigurd was halverwege het twintigste couplet, waarin de reuzendochter Freys knecht uitlacht als hij het over Freys verliefdheid heeft, toen de struiken opzij bogen.
"Blijf zitten, blijf zitten!" Hafgrim wapperde met zijn handen. "Maak gerust je lied af."
"Ja, zing door," zei Kirsten. "Een skald hoort zich niet zo makkelijk af te laten leiden."
"Je herinnert je welke dag het is?" vroeg Hafgrim toen Sigurd zijn crwth tegen de stam leunde.
"O nee... Toch niet vandaag? Zeg dat het niet vandaag is!"
"Toch wel." Hafgrim trok zijn dolk en tilde Sigurds crwth op. Een krachtige haal en de snaren sprongen, krulden zich op.
Kisten staarde naar het vernielde instrument. "Wat doe je? Waarom..." Ze knipperde met haar ogen en Sigurd zag tranen blinken. "Het komt toch niet door mij? Ik wist niet dat skalds..."
Hafgrim schudde zijn hoofd. "Skalds hebben niets tegen vrouwen. We zijn geen Frankische monniken! Nee, ik sneed zijn snaren door omdat het de hoogste tijd is dat Sigurd zijn eigen snaren zoekt. Iemand die zo'n stem heeft als hij hoort geen leerling meer te zijn."
"Ik ben zeer vereerd," zei Sigurd, "maar waar vindt ik zo snel nieuwe snaren? Vooral ongebruikte, maagdelijke snaren?"
"Strengen vrouwenhaar schijnen bijzonder geschikt te zijn," zei Hafgrim met een uitgestreken smoel.
"Je meent het." Kirsten plukte de dolk uit Hafgrims vingers en hakte een streng af. "Je nieuwe snaren, Sigurd. Bovendien ben ik ook nog, nu ja, waar jullie het over hadden."
"Maagdelijk is dichterlijke skaldenpraat," zei Hafgrim. "Dat betekent enkel dat een snaar nog nooit aangeslagen is." Hij kneep in Sigurds schouder. "Kus je vriendin tot afscheid en dan het bos in. Steel hun stemmen, neef. Ik zie je tegen de avond bij de put. Je hebt tot zonsondergang."
Aan de rand van de open plek draaide hij zich om. "Zodra al je snaren zingen, leer ik je de heldere blik. Hoe je altijd kunt weten of een mens liegt of de waarheid spreekt. Je zult iemands ware gezicht zien, welke betovering hij ook gebruikt." Hij knikte. "Want een zanger moet de waarheid terdege kennen voor hij mooie leugens kan verzinnen." Hij wierp Sigurd een leren zakje toe. "Vangen!"
"Wat is dat?" vroeg Kirsten.
"Gedroogde vliegezwammen. Neem één hap en je stapt de Andere Wereld binnen."
"O, van dat rare toverspul."
Bij de viersprong stak Sigurd zijn hand op. "Het spijt me, Kirsten. Tot hier en niet verder. De rest moet ik in mijn eentje opknappen."
"Hoe zit het nu precies met die snaren? Of is dat een skaldengeheim?"
"Niet meteen een geheim. De meeste mensen interesseren zich domweg niet voor zulke zaken." Hij draaide zijn instrument omhoog. "Zie je die snaar links? De dikste. We noemen hem Berengrom of Dreunende Waterval. Omdat het de laagst gestemde snaar is."
"Mag ik..."
"Niet doen!" Hij rukte zijn crwth terug voor Kirstens vinger de snaar kon beroeren. "Als je hem aanslaat, is hij verpest."
"Ik hou mijn handen verder op mijn rug! Heus." Kirsten demonstreerde het.
"De volgende snaar noem je de Bronstkreet van het Damhert. Deze de Schreeuw van de Lynx, de Vreugde van de Leeuwerik."
"Ik snap het geloof ik. Je snaren zijn nu nog stom, zonder klank. Als je de stemmen van die dieren steelt, klinken ze als een jagende lynx, een zingende leeuwerik?"
"Ja, zo schijnt het te werken. Voor mij is het ook de eerste keer."
"Veel geluk dan maar. Je oom zei trouwens dat skalds niets tegen vrouwen horen te hebben." Ze hief haar gezicht op. "Je mag me kussen."
"Maar we..."
"Zie het als een oefening. Later, als koningsdochters je om een minnelied vragen, hoor je toch weten waar je over zingt?"
Hun lippen raakten elkaar amper, een veegje eerder. Waarna ze allebei met een rood hoofd terugdeinsden.
Maar het was óp de lippen, dacht Sigurd toen hij zijn ogen neersloeg, niet op de wang.
Op de een of andere manier voelde dit anders, volkomen anders dan een kus van zijn moeder of een klapzoen van zijn jongste zusje.
2.
De smaak van de gedroogde vliegezwammen was werkelijk afgrijselijk. Even smerig als hij zich voorstelde dat lemmingkeutels of door orka's uitgekotst zeewier smaakten.
Sigurd nam zich vast voor bezweringen en ander occult gedoe links te laten liggen. Als het zo moest, zong hij net zo lief over trollen en goden zonder ze persoonlijk te ontmoeten.
Sigurd was stomverbaasd geweest toen Hafgrim hem drie jaar geleden als leerling vroeg. Zijn oom was immers een befaamde skald, die zelden langer dan een maand of drie in het dorp doorbracht? Hafgrim de meesterzanger, die de ware namen wist van alle goden, van elke boom, ieder magisch zwaard of betoverde drinkhoorn.
"Als je oom alle liederen zong die hij kende," zo had Sigurds moeder hem verteld, "dan zouden de toehoorders stil moeten blijven zitten tot er mos op hun armen groeide en vogels nesten in hun haar gebouwd hadden."
Op het Midzomerfeest was het gebeurd. Sigurd had vijf van Hafgrims ballades meegezongen zonder één woord te missen, toen zijn oom hem zijn instrument in de armen drukte. "Het volgende lied is voor jou. In de hoge venen..."
Hij hield zijn hoofd scheef.
"Woonde een harige trollenmeid," vulde Sigurd zonder aarzeling aan. "Met een zwabberstaart vol bruine koeiendrek. Mij best."
Dat Sigurd alle coupletten gezongen had zonder zich in zijn tong te verslikken en niet één valse noot had aangeslagen, was natuurlijk puur geluk.
Toch was zijn oom behoorlijk onder de indruk geweest. Zodra de dorpelingen uitgedanst waren, liet hij zich met krakende knieën naast Sigurd op de bank onder de berkenboom zakken.
"Wel eens over je toekomst gepiekerd, neef van mijn broer? Je vader is hoofdman en maar één zoon kan hem opvolgen. Akkers opsplitsen is zelden een goed idee als de grond zo pover is. Dat leidt tot lege magen en familieruzies."
"Ik wilde eigenlijk maar visser worden. Net als mijn oom Orwald. Ik bedoel, ik heb vader zien vechten. De keer dat die drie rovers er met onze koe vandoor wilden gaan. Hij heeft berserkerbloed. Zelf maak ik me alleen belachelijk als ik zwaaiend met een strijdbijl op een vijand afstormt. Grote kans dat ik over mijn eigen voeten struikel." Hij sloeg zijn armen over knieën, trok zijn schouders op. Hij durfde zijn oom niet recht aan te kijken. "Ik ben het onderdeurtje van de familie. Het bibberhondje."
"Mijn oudste broer is daar veel beter in," vervolgde hij toen Hafgrim verder bleef zwijgen. "Einar is dol op vechten."
Zijn oom snoof. "Iets te dol naar mijn mening. Zeg maar rustig dat hij een akelige ruziezoeker is. In vrouwelijk gezelschap weet hij zich ook amper te gedragen." Hij gaf een klets op zijn dijen. "Genoeg over dat stuk vreten! Waarom word je geen skald? Net als ik?"
Sigurd gaapte hem aan. "Een skald?" piepte hij.
"Een skald hoeft zelden keien uit stoffige akkers te wrikken. Als de noordenwind giert, blijf een skald rustig in zijn bedstee liggen. Muzikanten vissen niet.”
"Ik heb niet eens een muziekinstrument. Nog geen rieten fluitje!"
"Je hebt vingers en een tong." Hafgrim stak Sigurd zijn crwth toe. "Leen de mijne zolang maar. Ik heb een reserve." Hij stond op. "Dat is dus afgesproken. Je bent mijn leerling."
Zo'n anderhalf uur later groeiden de berkenbladeren ineens nerven van suizelend, groen vuur. Madeliefjes openden hun bloembladen en staarden hem aan met gele slangenogen.
"Goed, prima," mompelde Sigurd. "Ik ben dus in de Andere Wereld aangekomen. Land van de goden en trollen. Dat begrijp ik echt wel."
Hij was ook kots- en kotsmisselijk en zijn maag draaide bij elke stap.
Kaken op elkaar en doorlopen. Niemand beloofde dat het eenvoudig of aangenaam was om stemmen te stelen uit de Andere Wereld.
Hij spitste zijn oren. De wind ritselde in de bladeren. Ver weg, zo zwak dat het wel een vallei verder leek, schaterlachte een bonte specht.
Dat schoot niet op. Geen skald bezat een snaar die Steels Ritselende Bladeren of Uitzinnig Lachende Specht heette.
Misschien de laagste snaar het eerst? Dit pad leidde regelrecht naar de Gjallerfosse, de grote waterval die de beek door het dorp voedde.
"Sigurd," suizelde de wind in de boomtoppen, "Siiigurd de slappeling. Siiii... guurd die liever vrouwenharen snaren streelt dan een zwaard zwaait."
Nooit rare stemmetjes antwoord geven. Bovendien is het waar. Ik zing liever over bloederige strijdbijlen dan ik ze zelf rondzwaai.
De wolf stapte plompverloren het pad op. Hij hief zijn kop, keek Sigurd doordringend aan. Zijn ogen waren flakkerende vlammen.
De wolf likte met een galzwarte tong over zijn snuit. "Sigurd?" vroeg hij met een verrassend vriendelijke stem. "Sigurd Geiradsson van Negen Makrelendorp?"
"Eh, ja?"
Sigurd was niet bijzonder onder de indruk van een pratende wolf. Wat mocht je anders verwachten in de Andere Wereld? Bovendien zag deze wolf er zo weldoorvoed uit. Alleen broodmagere wolven vielen je 's winter soms aan. En dan nog het liefst met een hele meute.
"Het leek mij verstandig om dat even na te trekken." De wolf glipte het dichte struikgewas in.
Waar sloeg dit in Odins naam op? Het leek me verstandig dat even na te trekken?
Van geen belang. Skalden doen niet aan snaren die Huilende Wolf heten.
De struiken ritselden opnieuw: een massieve otter volgde de wolf op de voet, toen een vrouwtjeslynx.
"Ah!" Sigurd draaide de crwth met zijn snaren naar voren. "Zing iets voor me, schoonheid!"
Hij voelde een giechel in zijn keel opborrelen. "Zing dan, zing dan!" proestte hij.
De gepluimde oren van de lynx kwamen omhoog. Amberen ogen namen hem op met blik vol totale minachting.
"Kijk niet zo kwaad," gniffelde Sigurd. "Zo krijg je nooit een vrijer."
Een laag gerommel rolde over het pad, dat tot een snerpende schreeuw omhoogschoot. De jachtkreet brak middenin af.
Hebbes: Sigurd hoorde de snaar meegonzen.
Dat was alvast één. Nog acht snaren te gaan.
Vier zwarte ratten sloten de rij. Met ratten schoot een skald ook weinig mee op.
Een bijzonder vreemd gezelschap. Misschien kan ik er later een ballade over dichten? Eentje voor de kleuters?
Wolf, otter, lynx en rat alle in een lange rij
kuierden mij doodleuk voorbij?
Nee, dit wordt niks. Ik ben te paddenstoelzat om fatsoenlijk te dichten.
Toen hij het wildspoor passeerde, zag hij het rendiermos in de pootafdrukken van de wolf smeulen.
Och ja, dat kon er ook nog wel bij.
De hemel kleurde oranje voor hij zijn laatste stem ving. Sigurds wielewaal viel middenin een hartenkreet stil. Hij stak zijn kopje in de lucht, sperde zijn snavel wijd open. Het bleef stil.
"Bedankt," zei Sigurd.
Dat was net op tijd: de nerven van de bladeren straalden niet langer met groene vonken, de madeliefjes waren hun glurende pupillen kwijtgeraakt. Hij blikte omlaag naar zijn crwth: elke streng van Kirstens haar was tot een dikke, glanzende snaar versmolten die glom als pas gegoten zilver.
Hij hief zijn hand, tikte de gloednieuwe snaren aan om hun magie te testen. De waterval dreunde, de leeuwerik kwinkeleerde.
Nu ben ik werkelijk een skald!
4.
"Hafgrim? Oom?"
Sigurd zocht de open plek af in de snel vallende nacht.
We hadden toch bij de put afgesproken? Hafgrim zou me de heldere blik leren. De skaldenblik die door alle illusies heenkijkt en alleen ziet wat echt bestaat. "Hafgrim! Waar hang je in vredesnaam uit?" Hij hield zijn instrument omhoog. "Ik heb de snaren."
De schemerige stammen slokten zijn stem op.
Misschien verwachtte hij me eerder? Niemand blijft 's nachts graag in een bos rondhangen.
Hij sloeg de draagriem van zijn crwth om zijn schouder.
Ik zie Hafgrim wel in het dorp. Waarschijnlijk zit hij al voor de grote hal. Om met een kroes bier in de hand over zijn reizen op te scheppen.
Hij ontmoette Geirad als eerste. Zijn vader leunde tegen de walvisribben, die de toegangspoort van het dorp vormden. Zelfs in het maanlicht kon hij het zweet op het voorhoofd van zijn vader zien parelen. Drank en laaiend vreugdevuur, schatte hij. Flink wat drank en zo vroeg al. Heb ik soms een feestdag gemist? Freys oogstfeest van de Duizend Appels? Nee, Geirads mond walmde mede en bier, geen cider.
"Oy ha," mompelde zijn vader. Wat misschien als groet bedoeld was. Hij draaide zijn drinkhoorn om. Een paar druppels ploften in de naalden. "Leeg. Helemaal leeg."
"Ik heb de snaren," zei Sigurd. Hij hief zijn crwth op. "Ik ben een skald, vader!"
"Dat komt mooi uit." Zijn vader schuifelde naderbij en sloeg een arm om Sigurds schouder.
Waarschijnlijk was dat eerder om niet om te vallen, dacht Sigurd, dan uit genegenheid of vaderlijke trots.
"Skald, ja? Nu, dat komt goed uit. We hebben gasten en die waardeloze Hafgrim is nergens te vinden." Hij gebaarde met zijn drinkhoorn. "En wat is een feest zonder skald?"
"Blij dat je er zo over denkt, vader."
Geirad schoof het gordijn van de het voorportaal open en duwde Sigurd de rokerige hal in.
"Jullie hebben te zuipen!" brulde Geirad. "De mede en het gierstebier klotsen in je maag. Zo is het toch?"
"Zo is het precies, goede Geirad!" kwam een koor terug. Sigurd tuurde in het halfduister. Een paar stemmen had hij niet herkent. De luidste.
"Jullie hebben vreten! Vette hazen en knapperige vis tot het vet je over de kin druipt. Zo is het toch?"
"Zo is het precies, goede Geirad!"
Een van de stemmen was van een meisje. Het was zo'n hese stem, die vooral mannen als Geirad erg aantrekkelijk vinden. Zo zou de mooie dochter van de reus vast ook geklonken hebben toen ze haar vrijer hooghartig afwees.
Probeer die stem te onthouden. De saga's zitten vol bloedmooie maar zeldzaam gemene vrouwen.
"Drank en vreten, maar geen muziek!" Geirad trok Sigurd aan zijn pols naar voren. "Voor Geirad is echter het gastrecht heilig! Ik geef jullie Sigurd Geiradsson! De beste skald aan deze zijde van het Sognefjord!"
De gasten zaten op de beste plaatsen, vlak naast het vuur. Een man van Geirads leeftijd kwam soepel als roofdier overeind. Toortslicht glansde in zijn baard die zo kort geknipt was dat het wel vacht leek.
"Egil de Snelle," stelde hij zich voor. "Hoofdman van Baldursheuvel. Dat is vlakbij. Een dagreis hoogstens naar het noorden." Hij knikte naar het meisje aan zijn zijde. "Mijn oudste dochter Gudrun." Gudruns haar was roestrood en ze keek Sigurd recht aan, inspecteerde hem.
"Ben jij de zoon waar ik mee moet trouwen?” Haar ogen fonkelden, maar leken tegelijkertijd eigenaardig kil, zonder een zweem van werkelijke emoties. Knap geslepen edelstenen waardoor niets menselijks naar buiten keek. “Egil, dit een skraeling, een scharminkel!"
"Gedraag je, Gudrun!" Egils hand smakte tegen haar wang en ze draaide mee zonder met haar ogen te knipperen. "We zijn hier te gast!"
Geirad stommelde naar voren. "Een vergissing, schoondochter. Dit hier is mijn jongste zoon. Mijn oudste zoon zou je het hof maken." Hij wees met zijn drinkhoorn naar de linkerbank. "Hij, Einar."
Bij het horen van zijn naam kwam Sigurds broer half overeind. Hij grijnsde naar het meisje, nam een nieuwe hap van zijn hazenpoot.
"O, hij. Goed dan."
Een tweede man kwam overeind. "Ze noemen mij Virkunnen de handelaar. Ik verkoop zo goed als alles en kom van ver."
"Virkunnen, is dat geen Sami-naam?"
De Sami waren dappere krijgers uit het verre noorden, wist Sigurd. Ze reden op rendieren en droegen bloedrode kleding. Volgens de verhalen waren het geduchte magiërs.
Een glimlach zweemde om de lippen van de man. "Een Sami-naam. Als jij dat zegt."
"Virkunnen kwam in ons dorp langs toen jij nog een kleuter was," verklaarde Geirad met de absolute zekerheid van een dronken man. "Jij herinnert je hem vast niet meer, Sigurd. Te jong. Je moeder kocht een kam van schildpaddenhoorn van hem."
"Ken je Loki's Scheldlied?" vroeg Virkunnen.
"Zeker. Alleen zingen skalden dat gewoonlijk pas als de mannen heel wat meer gezopen hebben."
In het lied viel Loki op een feest van de goden binnen. Hij beledigde alle mannen, noemde ze lafaards en valsspelers, terwijl hij de godinnen met loopse teven vergeleek. Niemand durfde hem tegen te spreken omdat hij in feite de waarheid sprak.
"Ben anders zat zat," lachte Geirad. "Slaven! Meer bier!" Hij draaide zich naar Sigurd. "Zing, waardeloze welp van me. Dan ben je tenminste nog ergens goed voor!"
Bij het vijfentwintigste couplet merkte Sigurd dat Virkunnen de tekst meezong zonder ook maar een lettergreep te missen. De koopman bezat een aangename bariton, die een goede tweede stem vormde. Nee, deze man was beslist beter opgeleid dan zijn blote voeten en versleten mantel deden vermoeden. De verbannen zoon van een jarl, een edelman?
"Sigurd noemden we hem," hoorde hij zijn vader tegen de andere hoofdman lallen, "zijn dode moeder en ik. Sigh, Siguhurd Drakendoder. Sigurd Snarenplukker was juister geweest."
In het veertigste couplet, dat veel skalds weglaten omdat Loki daarin de vader van alle goden een dronken os noemde, verving Sigurd "Odin" door "Geirad". Tot zijn verbazing zong Virkunnen precies dezelfde naam mee.
De handelaar boog zich twee liederen later naar hem toe. "Je kunt wel ophouden met Brunhildes Hellevaart. Niemand hoort je meer. Ze maken teveel kabaal." Hij stond op. "Kom je mee naar buiten? Aan de vloedlijn hoor je meeuwen verstandiger woorden krijsen."
Sigurd zette zich op het bankje onder de berk. "Heilige Thor, mijn oren tuiten." Het was heerlijk rustig hier, de volle maan een reusachtige parel die kalm in de hemelzee dreef. "Waarschijnlijk was jij de enige die me hoorde, Virkunnen." Hij schudde zijn verkrampte vingers om de spieren los te maken. "Waar had mijn vader het eigenlijk over? Dat Einar dat meisje het hof moest maken?"
"De hoofdman komt van een dorp vlakbij. De laatste tijd zijn zeerovers nogal actief. Als jullie twee dorpen nu hun krachten bundelden..."
"Ik snap het." Mannen kunnen heilige eden zweren, maar een huwelijk werkt beter. Schoonvaders steken de boerderij van hun kleinkinderen gewoonlijk niet in de fik.
"Gudrun lijkt me anders een sissend kreng. Ik gun haar graag aan Einar."
"Ja, ze heeft iets van een lynx. Zo'n ik-krab-je-ogen-uit-als-ik-mijn-zin-niet-krijg dame. Je broer leek me overigens zelf een nogal ongelikte beer. Is hij een berserker?"
"Einar draagt een polsband van berenvacht en een kettingen van tanden. Ik geloof niet dat hij de juiste offers al gebracht heeft." Hij schudde zijn hoofd. "De Aanroeping van de Beer telt zestien regels. Te lang om te onthouden voor mijn broer Einar."
Berserkers aanbeden de bruine beer en waren de gevaarlijkste krijgers van het Noordland. Hak hun armen en benen af en nog probeerden ze de tenen van hun tegenstanders af te bijten.
"Geloof je dat het waar is dat de zeerovers nu Noorse dorpen plunderen? Jij trekt het hele land door, Virkunnen. Ik dacht dat ze handelsschepen aanvielen of naar andere eilanden overstaken?"
"Vroeger misschien. Nu loopt het een beetje uit de hand. In het zuiden noemen ze ons noorderlingen intussen allemaal 'viking', zeerover.
Och, je weet hoe het gaat. Een man heeft acht zonen. Er is land voor hoogstens vier. Het dorp bouwt een schip voor al die overtollige heethoofden.
Rot op, is de boodschap, en laat je hier nooit meer zien." Hij spreidde zijn handen. "Ze varen twee fjorden verder en stelen het vee, hakken wat hoofden af. Veel veiliger dan schepen met krijgers en zwaar bewapende kooplieden aanvallen."
"Je zag die verbrande boerderijen zelf?"
"Meer dan me lief is, jongen. Overal waar ik wegtrok, zag ik de rook van brandende boerderijen achter mij opstijgen."
"Heren?"
Kirsten zweefde op hen af: het maanlicht en haar witte wollen mantel maakten een schim van haar.
"Wie is die schone dame, Sigurd? Een elfenvrouw?"
"Dat is Kirsten. Kirsten, Virkunnen de koopman."
"Je ziet er sluw als een vos uit, Virkunnen. Als je klanten je de hand schudden, kunnen ze beter hun vingers natellen."
"Ik dank je voor het compliment."
Sigurd wist dat een Frankische Zuiderling in razernij was uitbarsten als iemand zo'n opmerking maakte. Gelukkig wisten Noorderlingen dat sluwheid het hoogste goed is. Beter, veel beter dan domme kracht of hersenloze moed.
"Wat vond Hafgrim er trouwens van?" Ze tuurde naar zijn crwth. "Je héb alle klanken toch gevangen? Hoop ik?"
"Ik was Hafgrim volkomen vergeten. Stom. Geirad sleurde me de hal in en ik zong mijn keel schor. Hafgrim, hij wachtte niet op me bij de put zoals hij beloofde..."